Geerarda Schol-Oost 

Geerarda Oost werd geboren in juni 1929 in een ziekenhuis in Batavia. Haar vader heette Frederik Oost en haar moeder Jacoba Maaike [van den Ban]. Haar vader werkte eerst in Nederland als inspecteur van de politie en werd toen uitgezonden naar Nederlands-Indië. “Mijn ouders zijn op 28 mei [1928] getrouwd en de dag erop zijn ze op de boot gestapt; een maand later kwamen ze aan. Mijn vader kreeg toen werk in Batavia; daar zijn mijn zusje en ik geboren.

Vader, Geerarda, Inge en moeder

Mijn vader was best streng; alles moest precies zoals hij het wilde. Bijvoorbeeld over messenleggers; die we in Indië neerlegden als we gingen eten. Bij mijn vader moesten ze dan net andersom liggen; dat zie ik bij mijn broer ook. Dan zeg ik: ‘je bent precies je vader!’ Zo vader, zo zoon. Mijn overleden jongste zusje leek het meest op mijn vader. Ook mochten we van mijn vader niet met de Indische bewoners spelen. Daarom speelden we vooral met de Hollandse kinderen en waren mijn zusje Inge en ik op elkaar aangewezen. Ook mijn moeder was vrij streng; ze hield wel van regels. We moesten al meteen met mes en vork eten. Ook gingen we precies op een bepaalde tijd naar bed. Ze was ook een sterke vrouw; zo moeder, zo dochter. 

Mijn ouders waren allebei protestants en zijn ook in de kerk getrouwd. Zelf gingen we niet veel naar de kerk, maar op Sumatra hadden we wel een dominee die soms bij ons thuis catechisatie voor de kinderen gaf. Het was een aardige jongeman die pas uit Holland was overgekomen. Hij trok ook naar mijn ouders, omdat ze ook Nederlanders waren.”

Tijd in Sumatra

“Ik had een heerlijke jeugd. Wel zijn we ettelijke keren verhuisd, omdat mijn vader voor zijn werk steeds werd overgeplaatst. Eerst ging hij naar Palembang op Sumatra. Daar hebben we een paar maanden gewoond. Toen werd hij weer verhuisd naar Medan; daar hebben we ook een tijd gezeten.

Palembang, mei 1935, met onze poppenwagens

Op Sumatra woonden we negen maanden in het dorpje Tebing Tinggi, in een groot huis met een heel grote tuin. Ik speelde daar veel met mijn zusje Inge, want verder was er niemand. Omdat er geen school was, kreeg ik bepaalde uren les van mijn moeder. Dan huilde mijn zusje, omdat ze dan geen speelkameraadje had. Daarna zat ik in Lahat op de Paul Krugerschool. In Lahat is ook mijn jongste zusje Lana geboren. Ook overleed daar de dochter van een collega van mijn vader. Dat maakte veel indruk op mij, omdat ik met haar speelde en alleen nog maar mijn zusje had. Toen ze overleed, zei mijn moeder dat ze naar de hemel was. Dat geloofden we toen. 

We verhuisden op een gegeven moment van Lahat naar Palembang (ook op Sumatra). Daar kreeg ik vanuit Holland een poëziealbum, waarin alle ooms en tantes al wat geschreven hadden. Er stonden ook mooie plaatjes in met die zijde ertussen; dat had je toen nog niet vaak. Er staan ook een paar vriendinnen uit Java in. Ook mijn overleden zusje had zo’n album. Ik heb het ook in de jappenkampen weten te behouden door het te verstoppen. De jappen waren er ook niet zo in geïnteresseerd. Ik heb het nu nog ergens liggen, maar weet niet meer waar.”

In 1935 zijn ze nog een half jaar terug geweest in Nederland, toen haar vader verlof had. “We waren toen bij een oom en tante. Ik weet alleen nog dat ik toen aan mijn amandelen werd geholpen. Daarvoor werd ik toen in een stoel vastgebonden. Ik heb toen nog een week op bed moeten liggen.”

Naar Java

“In Palembang hebben we maar zes maanden gezeten, omdat mijn vader naar Java werd verwezen. We zouden eigenlijk naar Bandoeng gaan, met een veel lekkerder klimaat, maar daar ging al een ander echtpaar heen. Hij moest toen naar Batavia, waar het klimaat veel warmer was. We hebben daar op vier plekken gewoond: achtereenvolgens Prawatan, Gambir, de Djimahiestraat en de Lembangvijver. (*1) Het was dus alsmaar verhuizen, maar daar maakte ik nooit een probleem van; het hoorde erbij. In de Djimahiestraat woonden we naast een gezin met drie kinderen. Ik speelde met de oudste jongen, die van mijn leeftijd was. Ook las ik er alle Karl May-boeken. 

In 1940 zou mijn vader met ons gezin op verlof gaan naar Nederland. Omdat toen de oorlog uitbrak en er geen verkeer mogelijk was, werd dat uitgesteld. In die tijd woonden we aan de Lembangvijver. Ook had je toen tijden dat je thuis moest zijn. We hadden toen ook een schuilkelder in de tuin. Overdag gingen we daar in en als het ‘s nachts gebeurde, kropen we onder de etenstafel.”

Japanse inval

“In maart 1942 vielen de Japanners binnen. Ik herinner me dat mijn vader op de eerste dag op zijn werk werd vastgehouden en net als alle mannen naar een kamp werd gestuurd. Mijn ouders hadden geen vermoeden dat zoiets zou gebeuren. Zelf keek ik aan de andere kant van de Lembang-weg toe met mijn zusje. Mijn moeder liep de hele tijd naast hem, maar werd steeds weggeduwd door de jappen. Dat vond ik afschuwelijk, maar ik stopte het steeds weg en praatte er met niemand over. Dat was de laatste keer dat ik mijn vader zag. Wel mocht mijn moeder om de zoveel tijd een pakje brengen met allerlei snoeperij. Ik wist ook niet wat er met hem ging gebeuren. 

Mijn vader zat eerst in het ADEK-kamp in Batavia zelf (*2). Van ADEK werd hij lopend naar Struiswijk (*3) gebracht; dat was een soort gevangenis. Na verloop van tijd verhuisde hij vandaar naar Bandoeng. Daar is mijn moeder nooit naartoe geweest, omdat dat ver weg was. Wel mocht ze een briefkaart sturen, maar alleen met een standaardtekst die je moest overschrijven, zoals ‘ik maak het goed’ (ook al was je doodziek). Zelf heb ik ook geschreven. Mijn moeder bleef altijd doorzetten, want het was wel een sterke vrouw. Ze wist ook niet wat er zou gebeuren, en ze had toch drie kinderen. Op dat moment zaten mijn moeder en ik nog niet in het kamp. Die eerste maanden kon je nog vrij rondlopen. We wisten toen nog niet wat er zou gebeuren. Omdat het onverantwoord was dat ze alleen zou blijven wonen, verhuisden we naar kennissen van mijn moeder. Ze hadden zelf geen kinderen en hadden nog een grote kamer over.”

Kramat-kamp

Op 15 oktober 1942 werd Geerarda met haar moeder en twee zusjes opgepakt en naar het Kramat-kamp (*4) gebracht. “We zaten daar van half oktober 1942 tot 13 juli 1943 en kregen toen geen berichten meer van de bewoonde wereld. In het kamp kwamen we in een huis met een zuster, een verpleegster en iemand die kerkdiensten hield. Zelf hadden we een kamertje met ons vieren met een bed. Zelf sliep ik vooraan, mijn moeder sliep dwars en aan de andere kant sliep Inge. De jongste, Janna, sliep daartussenin in een klein bedje. Mijn moeder was blij dat ze alleen dochters had; jongens waren allang afgevoerd. Er was ook een grote zaal met een piano en een orgel, waar op zondag kerkdiensten werden gehouden; dan moesten we stil zijn. Mijn zusje en ik vochten vaak, omdat we allebei tegelijk op de piano of het orgel wilden spelen. In het kamp kregen mijn zusje en ik van iemand les – maar toen de Japanners erachter kwamen, was het meteen afgelopen.

Eerst had het kamp nog niet zo’n streng regime. Mijn moeder kookte nog zelf en kocht eens per week eten op de pasar. Dat veranderde echter geleidelijk: er kwam een hek met prikkeldraad bij het begin van het kamp en alleen op zondag mochten we kennissen buiten het kamp bezoeken. Vluchten kon ook niet, want je stond onder controle. Op een bepaalde tijd gingen we het kamp uit, en we werden geteld als we weer binnenkwamen. Al zullen er best mensen gevlucht zijn.

Achter het huis was een tuintje. Precies voor het raam van onze slaapkamer stonden twee grote bomen, waar mijn zusje Inge en ik in klommen met onze poppen. In die bomen hadden we een huisje gemaakt. Voor het raam van onze kamer zat mijn moeder te naaien met de naaimachine, want dat mocht toen nog wel. Ook had ik in het kamp nog andere vriendjes of vriendinnetjes, al zagen we elkaar bijna niet. Zoals Jopie Bergmeier, die aan de andere kant van het kamp woonde. Later in Nederland had ik nog een tijd contact met haar, tot ze naar Nieuw-Zeeland vertrok.

Er gebeurden ook gekke dingen. Achter in het kamp stonden twee huisjes, waar twee vrouwen in zaten. Geregeld zag ik daar jappen naar binnen lopen. Ook als 12-jarige wist ik wat daar gebeurde: ze moesten hun lichaam aan hen geven. Daarvoor kregen ze goed eten en drinken.”

Grogol-kamp

“Op 13 juli 1943 moesten we naar het Grogol-kamp. We moesten in rijen het hele eind naar het station lopen, met de bagage die we konden dragen. We hadden een stok en deden ieder aan een kant iets eraan. Inge en ik waren gek op onze poppen; gelukkig mochten we die meenemen.

Op het station moesten we plaatsnemen in een trein zonder zitplaatsen, waardoor we op elkaars schoot en op de raamkozijnen moesten zitten. We wisten niet waar we heengingen. Op een gegeven moment moesten we midden in de bushbush allemaal uitstappen. We liepen over een steile helling naar beneden, waar we terechtkwamen in het tweede kamp: het Grogol-kamp (*6). Het was een kamp voor mensen zonder inkomen. Onze ouders hadden geen geld voor ons, want mijn vader zat in een ander kamp dan wij. Grogol was eigenlijk een gesticht en bestond uit verschillende grote zalen. Zelf hadden we zaal 429. Dat grensde aan een grote zaal met zo’n 42 mensen. Mijn moeder werd als hoofd aangesteld van een van die zalen en we kregen een klein kamertje voor ons vieren. De andere vrouwen moesten in de grote zalen slapen. Daar leerde ik ook een latere vriendin kennen; haar moeder was net als mijn moeder hoofd van een deel van het kamp.

Mijn moeder moest als zaalhoofd ook het eten uitdelen. Elke dag moest ze in een grote teil groentesoep maken. Met etenstijd moest ze het eten verdelen onder de mensen van de zaal; die kregen dan allemaal een bordje soep. Er werd vaak gevochten als de ene wat meer kreeg dan de ander. We hebben hele tonelen meegemaakt als iemand een aardappel of sperzieboon meer kreeg dan een ander. De medegevangenen keken ook of ik als dochter niet iets meer kreeg maar mijn moeder was niet makkelijk. Het was een sterke vrouw. Ook haar mijn moeder een taak rondom de kerkdienst in Grogol, met de dochters van mevrouw Hondius. 

Onze kleding in het Grogol-kamp was niet veel bijzonders en winkels waren er niet. Daarom werd in het kamp vaak geruild en verhandeld, soms ook voor eten. Voor onze kamer liep een goot; daar speelden we vaak, al hadden we bijna niets. Ook zat ik vaak te schrijven. Ook borduurden we; een vrouw in het kamp kon prachtig borduren en hielp me vaak. Dat gaf afleiding, want je bent dan in gedachten bij dat borduurwerk.”

Tjideng-kamp

Op 29 augustus 1944 werd Geerarda samen met andere bewoners met vrachtwagens naar het beruchte Tjideng-kamp gebracht. Ze weet niet waarom ze Grogol moest verlaten; misschien moesten er andere mensen in. In het Tjideng-kamp werden de omstandigheden steeds slechter. “Om in leven te blijven, aten we zelfs slakken en bladeren. Die bladeren kookten we een beetje, zodat het zacht werd; we aten het als soep. Ook at ik pap van ongekookte maiskorrels (djagoeng) als ontbijt. Al het eten dat ze gaven aten mijn moeder en ik gewoon op, maar mijn zusjes konden dat niet door hun keel krijgen. Dat alles kun je je nu bijna niet meer indenken. Ik weet nog dat na de oorlog mijn zwager een etentje gaf en zei dat we slakken gingen eten. Ik zei: “Henk, alsjeblieft, ik niet, hè?” Alleen het woord al…

In het kamp was ik veel te druk bezig om me staande te houden. Overigens zag ik in de kampen geen mensen doodgaan; wel zag ik weleens mensen aan wie je zag dat ze dood zouden gaan. 

In het Tjideng-kamp hadden we elke morgen om 7 uur appel en ook ‘s avonds moesten we verzamelen. We werden dan geteld en moesten ook buigen. Op een keer zei mijn moeder tegen mij en mijn zusje: ‘ga maar achteraan staan en blijf gebukt staan’. Maar dat kregen de jappen door; ze gingen toen ineens achterlangs lopen. We kregen echter geen slaag, want we stonden op tijd weer op. We hoorden ze goed aankomen op hun laarzen. Geerdarda herinnert zich nog de Japanse termen bij het appel, zoals ‘Jotsekee!’ (in de houding), ‘Keree!’ (buigen), ‘Nauree!’ (weer in de houding) en ‘Jasmee!’ (op de plaats rust). “Je deed het omdat het moest, want de jappen waren niet zachtzinnig. Al deden ze jonge kinderen niet zo snel iets aan; daar hadden ze wel ontzag voor.” 

Ooit moest ze een hele dag op appel staan. “Drie vrouwen waren toen met hun haren aan een boom vastgebonden; daar moesten we naar kijken. Dat was afschuwelijk. Ze hadden echter niks gedaan.

“Soms vielen mensen flauw door het lange appel. Zij werden dan naar huis gebracht, maar kregen geen straf.” Naast deze appels zag ze ook vernederingen. “We hebben gezien dat vrouwen werden vastgebonden en geslagen, of dat hun haren werden gekortwiekt.” 

Over het algemeen waren de jappen in het Tjideng-kamp niet vriendelijk naar de gevangenen. En ze werden steeds heftiger, omdat ze merkten dat ze gingen verliezen. Dat botvierden ze dan op jou. Desondanks hielden de bewoners elkaar vaak de hand boven het hoofd; verraad kwam volgens mij bijna niet voor. En weggraaien heb ik vrijwel nooit gedaan.

In het Tjideng-kamp verhuisde Geerarda op een gegeven moment naar een ander adres in de Tjitaroem-weg, met een kamer voor twintig personen. “Het was veel kleiner, en ik moest de verhuizing ook alleen doen, want mijn moeder lag toen in het ziekenhuis. Dat regelen heb ik van mijn moeder; van haar kreeg ik dat verantwoordelijkheidsgevoel met de paplepel ingegoten. We hadden in die kamer een tweepersoonsbed; daar sliepen we met z’n vieren op: de drie meisjes en mijn moeder. Toen mijn moeder uit het ziekenhuis kwam, zei ik tegen haar hoe ze moest liggen. Er was echter ook een stapelbed en mijn moeder zei: als wij twee nu onder gaan slapen en de twee zusjes bovenin. Dat beviel echter van geen kanten. Er stonden toen twee bedden naast elkaar en ik zei: als we daar nu met ons vieren op gaan liggen. We hebben toen twee bedden tegen elkaar geschoven met het hoofd naar de zijkant.”

Werken op de vuilnisbelt

In het Tjideng-kamp moest Geerarda als 14-jarige gaan werken op de vuilnisbelt. “De ene week moest ik het vuil verzamelen op één plek. De andere week moest ik het vuil verbranden. Als ik nu kinderen op die leeftijd zie, denk ik: ‘jullie hebben lang nog niet hetzelfde meegemaakt als ik, maar dat beseffen jullie niet.’ Bij het vuil dat we moesten verbranden, zat geen kleding; wel soms brood dat mensen weggooiden. Dat zat ik zelfs soms op te eten van de honger.”

Wat later moest ze wc’s schoonmaken bij een dokter. “Dat was een schat van een mens waar ik een goede band mee had. Na de oorlog heb ik haar nog een keer gesproken bij een conferentie in Amsterdam; dat was heel leuk. Als ik klaar was met mijn werk, zaten we naast elkaar op een bankje in een tuintje. Dan liet ze mij meestal vertellen en hoorde dat aan.”

“Mijn moeder kon in het Tjideng-kamp niet echt voor me zorgen; op het laatst was ze ook ziek. Ze lag vaak in het ziekenhuis en was toen niet veel meer waard. Ik kon haar daar maar een paar keer per week opzoeken en had toen de zorg voor mijn twee andere zusjes. Ook mijn zusje is in de kampen erg ziek geweest, maar ik was vrij sterk. Al die tijd vreesde mijn moeder ook voor het lot van mijn vader. Ik heb hem drie jaar niet gezien, tot hij op een dag ineens weer opdook in het Tjideng-kamp. Hij zat in Bandoeng opgesloten, maar mocht een dag naar zijn vrouw toe. Dat was natuurlijk prachtig. Mijn moeder zei: ‘dit is nu je vader’, maar ik dacht: ‘het zal wel’, want voor ons was het een vreemde man. Hij moest op een bepaalde tijd weer terug, en mijn moeder zei tegen ons dat we hem weer naar de uitgang van het kamp moesten brengen, waarna hij weer vertrok naar Bandoeng. We liepen aan weerskanten van hem en mijn moeder zei: ‘Je mag hem wel een arm geven, hoor!’ Maar dat vond ik wat vreemd, om zo’n man ineens een arm te geven.”

De bevrijding

Geerarda werd bevrijd toen ze in het Tjideng-kamp zat. “De capitulatie van Japan was op 15 augustus 1945, maar we hoorden het pas een paar dagen later. Toen we hoorden dat Nederland bevrijd was, zeiden we: ‘nou, dan zullen wij ook wel snel bevrijd worden’ – en dat was ook zo. 

Toen mijn vader weer bij ons kwam, zei hij: ‘ik heb nou een plek waar we met ons allen kunnen wonen’. Dat was een inwoning; er woonden nog drie families in. Mijn ouders namen de slaapkamer, en mijn zusjes en ik gingen op de galerij slapen. Daar sliepen we naast elkaar in een twijfelaar die mijn ouders hadden gekocht. Het was een heel raar gevoel: je zit in een kamp en doet alles precies zoals opgedragen, en opeens ga je naar een huis toe. Toch ging de bevrijding feitelijk heel gewoon, zonder emoties. Wel had je ineens meer ruimte en hoefde niet meer op appel te staan. Bovendien waren we weer bij elkaar. Ook mocht ik weer naar mijn vriendin, die enkele straten verderop woonde; dat was natuurlijk fijn. Op zondag bracht mijn vader me een stuk weg, want hij vertrouwde het nog niet in Batavia. En ook moest mijn vader weer gaan werken.”

Terug naar Nederland

“Vanuit Indië gingen we eerst met een vliegdekschip naar Ceylon. In Colombo moesten we er allemaal af en gingen naar een kamp in Kandy, in het midden van het eiland. We hadden daar met drie meisjes een kamer, en mijn vader en moeder hadden ook een kamer. Vandaar werden we per familie naar Nederland verscheept. We waren een van de laatsten, omdat ons gezin helemaal compleet was. Begin mei kwamen we in Nederland aan. 

In Amsterdam ging ik toen naar een hbs voor Indische kinderen. Na mijn eindexamen, dat niet veel voorstelde, ging ik werken bij de PTT. Ik heb er eerst gewerkt als telefoniste. Maar mijn latere man wilde dat ik een baan kreeg met geregelde diensten. Die heb ik daarna ook gekregen.

Op een gegeven moment moest mijn vader voor zijn werk bij de politie weer naar Indië, in Menado. Dat was vóór de soevereiniteit. Mijn jongste zusje van 5 mocht met hem mee. Inge en ik moesten echter in Nederland blijven om te leren, omdat we een grote leerachterstand hadden. Het was afschuwelijk om weer gescheiden te zijn van mijn ouders. Ik zie nog de boot weggaan; ik stond ze met Inge na te zwaaien. Later zouden Inge en ik ook naar Indië gaan, maar dat ging niet door toen de soevereiniteit werd afgekondigd. Mijn moeder zei: blijven jullie maar in Holland. Ik gaf mijn leven zin door het te aanvaarden en door te gaan. Verder heb ik heel veel gelezen, onder meer boeken over Indië. Ik ben hier nu ook ingeburgerd, dus het is nu heel anders. Indië is verleden tijd. Ik ontmoette mijn man Jaap op een fuif in Krasnapolsky in Amsterdam, waar we hebben gedanst. Hij bracht me na afloop thuis bij mijn tante, waar ik toen woonde. Mijn vriend had een boot en we zouden samen met een vriendin en een vriend van haar gaan zeilen bij Aalsmeer. We spraken af op een punt bij het Haarlemmermeerstation. We stonden om de hoek en zagen dat hij er al stond, maar hadden geen haast om erheen te gaan. Ten langen leste zijn we toch tevoorschijn gekomen en we zijn toen gaan zeilen. Met mijn vriend ben ik later getrouwd; daar heb ik ook mijn drie kinderen van. In het begin was ik gek op kleine kinderen. Mijn dochter wilde echter geen kinderen. Veel van mijn kleinkinderen wonen nu in Friesland. Die ken ik echter bijna niet, want ik ben er nog maar één keer geweest. Ook heb ik nu achterkleinkinderen. Mijn man is inmiddels allang overleden.”

Jacob Johan Schol en Geerarda Oost, 9 juli 1952

Herinneringen aan de jappenkampen

“Ik maak hier weleens dingen mee waarbij ik denk: ‘je had in een jappenkamp moeten zitten, dan had je wel anders gereageerd.’ Toen ik net in Holland was, zeiden anderen dat ze ook de oorlog hadden meegemaakt. Ze wilden echter nooit aannemen van mij dat het verschil tussen hier en Indië hemelsbreed was. Dan zei ik: ‘dat was toch heel anders dan bij ons; jullie waren niet opgesloten en hadden ook niet dagenlang geen eten.’. En als ik zie wat er nu aan eten wordt weggegooid, denk ik: ‘o-o-o! Jullie hebben nog niks meegemaakt!’ 

Nu ik ouder word, houden de herinneringen aan de jappenkampen me minder bezig, al weet ik alles nog wel. In het begin was het wel erg, want je verwachtingen zijn anders dan je gepland had. Ik heb ook nauwelijks nachtmerries gehad. Het is heel gek: ik kan erover praten en weet het wel, maar nachtmerries heb ik er gelukkig niet over gehad. De vraag is echter hoe dit kon gebeuren. De mens is tot erge dingen in staat, maar dit was natuurlijk een heel volk. Ik vind het zelf heel moeilijk om de Japanners te vergeven; dat was te ver gezocht. Als ik net na de oorlog een Japanse in de trein in de trein zag en die taal hoorde, kreeg ik al kippenvel. Het heeft blijkbaar indruk op me gemaakt. We waren gebeten op de jappen en bij mij zat dat heel diep. Mijn broer, die lang na de oorlog is geboren, had een baan waarbij hij naar verschillende landen is uitgezonden. In bijna al die landen heb ik hem opgezocht, behalve toen hij naar Japan vertrok. Ik zei dat ik daar zeker niet zou komen en ik ben er ook nooit geweest. Overigens heb ik wel het gevoel dat ik mijn buurman of buurvrouw kan vertrouwen. En een heleboel weten het ook wel van mij. In ieder geval dat ik uit een ander land kom. Wel merk ik dat mensen uit Holland en Indië toch verschillend zijn. Daar moet je in het begin wel mee leven.” 

In 1984 ging Geerarda weer een keer terug naar Indonesië om dingen van het land te zien; ook ging ze bij Indische mensen op theevisite. “Die mensen konden er zelf ook niets aan doen en hebben het zelf niet zo meegemaakt. Ook wist mijn reisleider te regelen dat ik het huis kon bezoeken waar we het laatst gewoond hebben. Er woonden nu Indische mensen in, die me in het Nederlands begroetten met ‘Dag, mevrouw!’ Het deed me wel wat om mijn huis en die vijver weer te zien. Wat was dat allemaal armoedig! Ik ben echter niet in de kampen geweest, maar ben er alleen langsgereden. Daar hebben ze me ook voor gewaarschuwd. Bovendien is alles er toch zo veranderd; je vindt er niet meer terug wat je er achtergelaten hebt.”

Dood van zus Inge

De dood van haar zus Inge raakte haar diep, want ze trok altijd veel met haar op. “Ze werkte voor professor Bastiaans, die mensen behandelde met een kampsyndroom. Ik was niet dol op hem. Op een gegeven moment moest ze voor hem naar Auschwitz om te praten met mensen die in het kamp gezeten hadden. Ik smeekte haar: ‘doe het niet; je hebt zelf al zoveel meegemaakt!’ Maar ze wilde niet luisteren en ging toch. Ik dacht: ‘o god; hoe komt ze weer terug van al die narigheid?’ Toen ze weer terugkwam, belde ik haar. Ze had een rare stem en ik vertrouwde het niet erg. Ik zei echter tegen mijn moeder: ‘ze is goed thuisgekomen en ligt nu in bed; ga maar lekker slapen’. Maar dat was niet zo. Ik zei tegen mijn man dat ik de volgende ochtend naar haar huis in Leiden ging om te zien hoe het eruitzag. Al wist ik van tevoren dat ik haar niet levend terug zou vinden. Het was anderhalf uur rijden naar Leiden. Mijn vriendin wilde meegaan, maar ik ging liever alleen. 

Van tevoren had ik de politie gebeld, omdat ik geen sleutel had. De politie zou er ook zijn; desnoods konden ze de deur openbreken als ik toestemming gaf. Bij aankomst stond de politie al voor de deur. Ze hadden al achteromgekeken en zeiden dat het geen leuk gezicht was. Toen ik naar binnen keek, bleek ze dood op de grond te liggen; ook lag het huis bezaaid met pillen. Want ze was zelf arts; daardoor kon ze aan alles komen. Toen ze terug was gekomen van Auschwitz, had ze ‘s avonds al die rotzooi ingeslikt. Het was een verschrikkelijke ervaring om mijn zus daar zo te vinden, met al die tabletten. Volgens mij had ze het jappenkamp niet goed verwerkt.”

Geloof en de dood

“Het geloof betekent weinig voor me; ik ga ook nooit naar de kerk. Ik ken al die mensen ook niet; er is hier ook nooit iemand geweest voor de kerk. Ik heb al zoveel meegemaakt, en dan krijg ik ook nog de verhalen van Nederland te horen. In de jappenkampen was ik ook godsdienstiger dan nu. Er waren daar toen zeker meer gelovigen; je geloofde er wel in God. Ik weet echter niet precies wat het geloof voor mijn moeder betekende, want ze uitte zich niet. Wel weet ik nog dat ze een paar jaar terug huilde; mogelijk iets van de oorlog. 

Waar ik nu kracht uit put, is dat het goed gaat met de kinderen; die zijn voor mij het voornaamste. 

En wat de dood betreft, denk ik nu: als ik ga, dan ga ik. Daar heb ik me al aan overgegeven. Op een gegeven moment ben ik er niet meer. Ik heb tegen mijn kinderen gezegd: jullie moeten niet om mij treuren, want ik heb lang genoeg geleefd en heb veel meegemaakt. Ik ben getrouwd geweest en heb moeilijke en makkelijke jaren gehad. En ik heb kinderen gehad. Het is nou mooi geweest. Ik geloof ook niet in een leven na de dood; dood is dood.”

Boodschap voor de jeugd

“Mijn boodschap voor de jeugd van vandaag en morgen is dat je elkaar goed moet vergeven als je iets verkeerd doet; praat erover. Door praten leer je veel. Verstop je niet, maar kom ervoor uit. 

Soms is dat moeilijk, want soms moeten ze weleens voor iemand opkomen. Maar ja, toch zoveel mogelijk om elkaar geven en elkaar vergeven. Want je doet allemaal weleens dingen die niet door de beugel kunnen; ik net zo goed. In ieder geval hoop ik dat mijn verhaal goed van dienst is en goed werkt voor de jeugd; de jeugd heeft een heleboel nodig. Want ze mogen veel te veel.”

Geerarda Schol-Oost, Tilburg, september 2021

Samenstelling en redactie door Stan de Laat

Aantekeningen

(*1) Limbang-vijver: waarschijnlijk Situ Lembang Park. 
Situ Lembang Park (Indonesian: Taman Situ Lembang) is a park located at Menteng, Jakarta, Indonesia. Situ means lake, while Lembang is the name of the road adjacent the park. The park is nestled within houses of Menteng residential area and located close to another park Taman Suropati.

The park is one of the oldest parks in Jakarta, which has a lake. There are fishing facilities, running tracks and children’s playgrounds in the park. There are also plenty of mobile food stall that sells variety of food and drink. 

https://en.wikipedia.org/wiki/Situ_Lembang_Park

(*2) Het kamp ADEK, ook wel bekend als Algemeen Delisch Emigratie Kantoor, was tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië een interneringskamp voor zowel burgers als voor krijgsgevangenen. Het kamp lag in het zuiden van Batavia, aan de Sluisweg en de Van der Houtenlaan. Het kampement was onder­gebracht in de koelieloodsen. ADEK diende als krijgsgevangenenkamp van 3 februari 1942 tot en met 15 mei 1942. Op dat moment zaten er 1100 in het kamp. Al deze krijgsgevangenen werden op 15 mei 1942 naar het kampement van het 10e Bataljon overgebracht. 

https://nl.wikipedia.org/wiki/ADEK

(*3) De gevangenis van Struiswijk was een huis van bewaring in het zuidoosten van Batavia aan de Drukkerijweg. Deze gevangenis werd in het begin van de jaren 20 van de 20ste eeuw gebouwd op het gelijknamige landgoed Struiswijk. De gevangenis was tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de periode van 26 januari 1942 tot en met 28 oktober 1942 een krijgsgevangenenkamp. In de periode van maart 1942 tot en met januari 1944 was dit een mannenkamp. In de periode van oktober 1944 tot en met augustus 1945 was dit een vrouwenkamp. In september 1945 werd de gevangenis geheel ontruimd en opgeheven. Vanaf maart 1944 werd dit kamp door de Japanse legermacht aangeduid als Bunsho I kamp 7. 

https://nl.wikipedia.org/wiki/Gevangenis_van_Struiswijk

(*4) Kamp Tjideng was een Japans interneringskamp voor vrouwen en kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog, in de wijk Tjideng (nu gespeld als Cideng) van het toenmalige Batavia (Nederlands-Indië). Batavia kwam onder controle van de Japanners in 1942, en een deel van de stad werd als Kamp Tjideng gebruikt voor het interneren van Europese (vaak Nederlandse) vrouwen en kinderen. De mannen en jongens werden ondergebracht in andere kampen, vaak kampen voor krijgsgevangenen.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Kamp_Tjideng

(*5) Kramat was een vrouwenkamp, burgerkamp en opvangkamp op West-Java in Batavia. Het kamp bestond uit 170 woonhuizen en bijgebouwen in een ommuurd gedeelte van de Europese woonwijk Kramat aan weerszijden van de Raden Salehlaan in het zuiden van Batavia. Van oktober 1942 tot 31 augustus 1943 fungeerde Kramat als vrouwenkamp. Van 1 september 1943 tot 18 september 1944 fungeerde het als burgerkamp. Van 1 november 1944 tot 23 augustus 1945 was Kramat weer een vrouwenkamp. Van 23 augustus 1945 tot 1946 was het een opvangkamp.

https://www.oorlogsbronnen.nl/thema/Kramat

(*6) Grogol was een vrouwenkamp en een mannenkamp op West-Java nabij Batavia. Het kamp bevond zich in het voormalig doorgangshuis voor geesteszieken ten noordwesten van Batavia. Van 1 juli 1943 tot 29 augustus 1944 en van 28 november 1944 tot 18 april 1945 fungeerde Grogol als vrouwenkamp. Van 29 augustus 1944 tot 28 november 1944 fungeerde het als mannenkamp.

https://www.oorlogsbronnen.nl/thema/Grogol


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.