Vellah en Arianne Colcher: geen wrok maar liefde en optimisme

Vellah (1931) en Arianne (1932) Colcher zijn twee zussen van Joodse afkomst. De twee vrouwen zijn geboren in Nederlands-Indië, waar hun vader een rubberplantage beheerde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Nederlands-Indië bezet door de Japanners. Zij besloten om alle Nederlandse mensen onder te brengen in Jappenkampen, zo ook het gezin van de zusters. Na de bevrijding van Nederlands-Indië kwamen de zusters in Nederland terecht, waar ze elk hun eigen weg zouden gaan. Vellah richtte zich op haar carrière in ballet en dans. Verder trouwde ze en kreeg ze twee kinderen. Haar jongere zuster Arianne trouwde eveneens en kreeg kinderen. Na de oorlog is ze een periode in Israël geweest, waarna ze terugkwam in Nederland om maatschappelijk werk te doen en om Joodse mensen met oorlogstrauma’s bij te staan.

Vroege jeugd in Nederlands-Indië

De zusjes Vellah en Arianne zijn geboren in Nederlands-Indië, op de rubberplantage van hun vader. Deze plantage lag in Senna, een plaatsje op het eiland Sumatra. Vader had gestudeerd aan de universiteit van Leuven om landbouwkundig ingenieur te worden. Hij mocht er studeren op voorwaarde dat hij na het afronden van de studie een aantal jaren een plantage zou onderhouden in Nederlands-Indië. Later zou zijn vrouw – de moeder van de zusjes – ook verhuizen naar Indië. Het stel had al een meisje gekregen in Europa en tijdens hun verblijf op de plantage zouden Vellah en Arianne geboren worden. Aanvankelijk was het de bedoeling om maar een paar jaar te blijven, maar door de geboorte van de kinderen was er nog niet genoeg geld gespaard om elders een landbouwbedrijf op te zetten. De ouders van Vellah waren religieus opgevoed. Vader was zionistisch en had als doel om in de toekomst een stuk land te kopen in Palestina. Een zionist is iemand die streeft naar een onafhankelijke Joodse staat.

Senna op Sumatra, de plantage waar de zusters geboren werden

Het leven van de zusjes op de plantage was onbezorgd. Het gezin had een groot huis, waar ze Indonesische mensen in dienst hadden voor de klusjes. Arianne zou deze verhouding van ongelijkheid tussen mensen later als gênant beschrijven. De zusjes waren vooral druk bezig met het spelen op de plantages en het ontdekken van de omringende natuur. Hier beleefden ze veel spannende avonturen. Ondanks dat de ouders van het gezin Joods opgevoed waren, werd besloten om de kinderen niet Joods op te voeden. Het gezin paste zich vrijwel volledig aan aan de christelijke, dominante cultuur in Indië. Vellah herinnert zich dat men op de plantage Pasen, Kerstmis en het sinterklaasfeest vierde. Toen de zusjes nog jong waren, had het gezin een huisdocent in dienst. Ze hoefden dus niet naar een school met andere kinderen.

Arianne: “Ik heb de tijd op de plantage beleefd als een droomwereld, met de vrijheid in de natuur en die geur van rubberbomen.”

Een aantal jaar later werden de kinderen naar een kostschool gestuurd. Tussen 1939 en 1941 verbleven de zusjes hier bijna het hele jaar. Alleen tijdens de vakanties mochten ze naar huis. De plantage in Senna lag behoorlijk afgelegen. Het was daarom niet mogelijk om de kinderen dagelijks van de plantage naar de kostschool in Brastagi te brengen. Vellah beschrijft haar verblijf op de kostschool als een nare periode in haar leven. Ze vond deze periode vervelender dan de periode in de jappenkampen die hierop zou volgen. De school werd geleid door een echtpaar dat strenge regels hanteerde. Er was een strak dagritme en de zusjes werden gescheiden vanwege het leeftijdsverschil. In deze periode hebben Vellah en Arianne zich verdrietig en eenzaam gevoeld. Van de vrije situatie op de plantage, waar alles mocht en waar ze konden gaan en staan waar ze wilden, naar een strenge kostschool. De leiding van de school vond dat Indische kinderen maar laks en ongehoorzaam waren. Met de strenge regels wilden ze de kinderen discipline bijbrengen. Gelukkig was Vellah een sterk kind dat voor zichzelf opkwam. Ze herinnert zich dat ze het niet schuwde om een ander kind een dreun te geven als zij of haar zussen geplaagd werden. Hierdoor werden ze na verloop van tijd met rust gelaten. Arianne herinnert zich dat haar ogen snel achteruitgingen waardoor ze niet goed kon reageren op gezichtsuitdrukkingen van de docenten. Dit maakte het extra vervelend en lastig voor haar.

De route vanuit Senna via Berastagi en Aek Pamingke naar Medan

Bezetting en gevangenneming

Nadat de Japanners Indië bezet hadden, besloten ze alle blanke mensen uit Europa op te sluiten in kampen. Toevallig werd de kostschool waar de zusjes op zaten aangewezen als kamp. Zodoende werd het complex in korte tijd omgebouwd van school naar jappenkamp. Naast alle kinderen werden ook alle blanke volwassenen uit de regio hierheen gebracht. Dit betekende dat het complex plotseling slaapplaats moest bieden aan vier keer zo veel mensen. Er werden meer matrassen ingepropt en de gevangenen hadden nauwelijks ruimte meer voor zichzelf.

Waar de kinderen vanaf het begin van de bezetting al in Brastagi waren, waren de ouders nog op de plantage. Door de inval van de Japanners in Indië was het chaos in het land. Vooral Indische jongeren grepen deze wanorde aan om huizen te plunderen en spullen te stelen. Op een dag trof de vader van Vellah een stel jongeren aan die een huis waren binnengedrongen. Hij ging het huis binnen om de jongeren weg te sturen. Echter, de jongeren zagen hem als vijand en ze vielen hem aan met steekwapens. De jongeren vluchtten en vader bleef zwaargewond achter. Vader zou na enkele dagen in het ziekenhuis overlijden. Voor moeder was het niet veilig meer om alleen op de plantage te blijven. Met hulp van haar kennissenkring is ze na wat omzwervingen terechtgekomen in Brastagi. Toen ze herenigd werd met de zusjes moest ook het slechte nieuws over vader verteld worden. Dit hakte er behoorlijk in bij de zusters.

Vellah: “Toen ik van moeder hoorde wat er met vader gebeurd was, was ik ontroostbaar. Een tijd lang kon ik niets anders dan huilen.”

Leven in kamp Brastagi

Na het nieuws over vader lukte het Vellah en Arianne om het leven weer op te pakken. Het gezin zou zo’n drie jaar in kamp Brastagi verblijven. Voor de zusjes was het leven in het kamp nog best oké. Er was voldoende eten, er was genoeg ruimte om kattenkwaad uit te halen en ze ontmoetten er een aantal leuke vriendinnetjes. Bovendien waren de Japanners niet kwaadaardig of gewelddadig. Men moest af en toe op appèl staan maar dit duurde nooit lang. Alleen wie probeerde te ontsnappen werd gestraft. Het jodendom speelde geen rol voor Vellah in Brastagi. Voor moeder was deze periode een stuk minder fijn. Na het overlijden van haar man bleef ze alleen over met haar kinderen. Haar toekomst was onzeker en ze moet zich heel eenzaam hebben gevoeld. De Japanners waren heel hiërarchisch ingesteld. Gevangenen moesten steeds buigen en laten zien dat ze ondergeschikt waren. Voor volwassenen zoals moeder moet dit heel vernederend hebben gevoeld. Blanke mensen hadden veel aanzien in Indië en nu was dat plotseling verdwenen. Voor Vellah voelde het zich ondergeschikt opstellen meer als een soort spel. Zij heeft dit niet als traumatisch ervaren. Arianne beschouwt het als een geluk bij een ongeluk dat ze door haar slechte ogen weinig dingen meekreeg in het kamp.

Arianne: “Tegen ons als kinderen waren de Japanners totaal niet kwaadaardig, we werden soms over onze bolletjes geaaid.”

De tijd in Brastagi was voor Vellah als opgroeiend meisje ook een periode waarin ze zich op verschillende vlakken ontwikkelde. In het kamp deed Vellah verschillende klusjes zoals houthakken. Als je klusjes deed werd je beloond, je kreeg bijvoorbeeld extra eten. Omdat er verder geen tewerkstelling was in het kamp, moest je zelf zorgen voor dagbesteding. Vellah zou zich ook aansluiten bij een groepje kinderen dat dansles kreeg. Hier ontwikkelde Vellah haar passie voor dans, waar ze later haar werk van zou maken. Vellah herinnert zich dat ze veel geleerd heeft van de dansjuffrouw. Ze was heel aardig en ze zorgde ervoor dat de kinderen veel plezier hadden. Naast het dansen begon Vellah ook met schrijven. Ze begon aan een dagboek en ze had ook een poesiealbum, waar vriendinnetjes leuke gedichtjes in schreven. In Brastagi werd Vellah voor het eerst verliefd op een jongen. Het was een echte kinderliefde. Ze stuurden elkaar kaartjes en ze dacht toen dat ze nooit meer zo veel van iemand zou gaan houden. Arianne was nog een stukje jonger. In het kamp scharrelde ze vooral wat rond en ze deed spelletjes met anderen kinderen van haar leeftijd.

Halverwege 1945 was bondgenoot Duitsland al verslagen. De Japanners wisten dat het voor hen ook een kwestie van tijd was voordat ze de strijd moesten staken. De Japanners wilden niet dat de gevangenenkampen gezien zouden worden door de bevrijders. Zodoende besloten ze om alle kampen aan de kust – waaronder Brastagi – te ontruimen. De gevangenen werden vervoerd naar kampen in de bossen, meer landinwaarts. De zusjes en moeder werden in de loop van 1945 vervoerd naar Aek Paminke. De reis duurde enkele dagen.

Leven in kamp Aek Paminke

In Aek Paminke zou het gezin zo’n drie maanden verblijven. De omstandigheden waren een stuk minder goed dan in Brastagi. Het eten was schaars en van mindere kwaliteit en er was geen toilet. Men moest z’n behoefte doen in de bosjes. Ook hier waren de Japanners niet gewelddadig. In sommige jappenkampen werd daadwerkelijk fysiek geweld gebruikt, maar gelukkig voor Vellah niet in de kampen waar zij verbleef. Tussen de gevangenen bestond een zekere solidariteit. Er werd voor elkaar gekookt en eten werd gedeeld. Toch waren er ook gevangenen die er een handje van hadden om van anderen te stelen. Vellah heeft zich nooit verlaagd tot dat niveau. Ze houdt het principe “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet gij dat ook een ander niet” erop na. Arianne weet nog dat ze onderweg waren naar Aek Paminke en dat ze langs kampen kwamen met uitgemergelde gevangenen. Dit maakt haar bang. Dit staat ons ook te wachten, dacht ze.

Arianne: “Als ik weer eens honger had in Aek Paminke dan visualiseerde ik dat ik heerlijk wit brood aan het eten was, om de honger te stillen.”

Kort na aankomst in Aek Paminke werd bekend dat de Japanners zich overgaven. Het nieuws werd op het plein in Aek Paminke verteld aan de gevangenen. De stemming was euforisch. “Eindelijk vrij!”, zeiden veel mensen. Om de bevrijding te vieren zongen de zusjes en de anderen het Wilhelmus. Arianne weet nog dat de Japanners van de een op de andere dag opeens voor hen gingen buigen in plaats van andersom. Ondanks de bevrijding konden ze het kamp nog niet verlaten. Buiten het kamp was het complete chaos. Blanke mensen waren daar niet veilig. Nu de Indiërs eindelijk de Japanners zagen vertrekken, wilden ze onafhankelijkheid. Een deel van de inheemse bevolking wilde de Nederlanders als kolonisten verdrijven. Wél konden de gevangenen naar de nabijgelegen markt om boodschappen te doen. Een aantal maanden later werd het gezin naar Medan gebracht, de hoofdstad van Sumatra.

Leven in Medan

Het gezin werd door soldaten naar Medan gebracht. Hier betrokken ze een villa met nog een aantal Nederlandse gezinnen. Ze leefden er in een beschermde wijk, waar de Indische bevolking niet bij kon komen. Rond deze tijd is het gezin ook door een chauffeur naar het graf van vader in Senna gebracht, als onderdeel van het verwerkingsproces. De route hier naartoe was avontuurlijk: de wegen waren erg slecht en de chauffeur leek er weinig zin in te hebben. Vellah herinnert zich dat Chinese mensen al die tijd goed gezorgd hadden voor vaders graf. De Chinezen eerden vader omdat hij hen als minderheidsgroepering altijd beschermd had. Dit vond Vellah heel bijzonder. In mei 1946 vertrokken de zusjes naar Nederland.

Ariannes wereld na de oorlog

Eenmaal aangekomen in Nederland was Arianne nog een puber. Ze moest naar een nieuwe school en ze had een leerachterstand door haar verblijf in de kampen. Bovendien moest ze wennen aan de Nederlandse gebruiken. Ze herinnert zich dat ze bloemetjes aan het plukken was en dat ze hier op aangesproken werd. In Indië was het immers heel normaal om bloemen te plukken in de natuur. Na een tijdje had ze de draad op school opgepakt en werd ze geïntroduceerd bij de joodse jeugdfederatie. Hier voelde ze zich helemaal thuis. Er heerste een sfeer van optimisme en iedereen wilde iets bijdragen aan de joodse gemeenschap. Arianne werd echter wel aangesproken op het feit dat ze de oorlog in Europa niet had meegemaakt en dat ze dus ‘niet mee kon praten’.

Arianne: “Ik kreeg regelmatig te horen dat ik niets had meegemaakt. Men had geen idee wat er in Indië gebeurd was. Daar werd ik weleens moe van, dat er alleen over de vervolging in Europa gepraat werd.”

In de jaren ’50 en ’60 is Arianne verschillende periodes in Israël geweest. In Jeruzalem en in Beer Sheva. Ze deed er een opleiding voor maatschappelijk werk. Daarnaast deed ze veel voor de joodse gemeenschap. Ze hielp migranten om een leven op te bouwen in Israël. Ook verbleef ze een tijd op een kibboets, dit was een landbouwnederzetting waar men alles met elkaar deelde. Arianne voelde zich heel prettig. Het gaf een gevoel van saamhorigheid en solidariteit. In Israël ontmoette ze ook haar latere echtgenoot Nico, waar ze twee dochters mee kreeg. In 1961 zou het stel terugkeren naar Nederland omdat Nico hier zijn studie af moest maken.

Arianne: “Het werk dat ik deed in Israël gaf me voldoening. Ik deed iets nuttigs.”

Eenmaal terug in Nederland voedde Arianne haar kinderen vrij op. Ze kregen wel iets mee over religie: ze deden bat mitswa en ze vertelde hen over het zionistische ideaal. Maar verder vond ze het belangrijk dat ze ook hun eigen pad gingen. Tijdens haar verblijf in Nederland hielp Arianne graag op de school van de kinderen en ze deed maatschappelijk werk. In Nederland heeft ze weinig last gehad van antisemitisme maar misschien komt dit ook omdat ze dit niet wilde zien.

Arianne: “In Nederland werden katholieken generaties lang opgevoed met Jodenhaat. Wist zij veel?!”

Na haar vrijwilligerswerk kreeg ze een echte baan. Ze hielp vervolgingsslachtoffers met het aanvragen van genoegdoening van de overheid. Veel van hen hadden fysieke en mentale problemen ontwikkeld door de angst en stress die ze hadden tijdens de oorlog. Omdat Arianne zich spiritueel had ontwikkeld en omdat ze zelf ook een naar oorlogsverleden had voelde ze goed aan wat deze mensen nodig hadden.

Tijdens deze gesprekken ondervond ze dat veel mensen wrok koesterden uit het verleden, wat onderdeel van hun identiteit was geworden. Arianne probeerde de boodschap uit te dragen dat je niet zelfstandig en vrij wordt zolang je jezelf als slachtoffer blijft zien. “Je moet ook dingen los kunnen laten. Houd je niet bezig met dingen die je tegenwerpen, je hebt het zelf in de hand om iets bij te dragen aan een mooiere wereld.” Arianne kijkt en leest geen negatieve dingen meer. Ze wil haar laatste jaren in vrede leven en zich focussen op fijne dingen. Arianne leeft in een joods verzorgingstehuis en ze gaat nog wekelijks naar de dienst.

Arianne vertrouwt erop dat ze haar moeder, vader, zussen en dierbaren na haar leven zal zien in het licht. “Daar staan al mijn dierbaren te wachten.” Met haar levenservaring wil ze de jeugd meegeven om zich te onthouden van hebzucht en om op zoek te gaan naar iets om de aarde schoon te maken en beter achter te laten. Ze sluit zich aan bij Vellah: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet men ook een ander niet.”

Vellah’s strijd

Ook Vellah had een flinke leerachterstand opgelopen. Ze ging naar een speciale school voor kinderen uit Indië. Hier werd de leerstof versneld gedoceerd zodat de kinderen toch nog op een acceptabele leeftijd school afmaakten. Het leven in Nederland verliep moeizaam. Ze had geen band met Nederland. Ze vond het maar koud en somber. In Nederland is Vellah een tijdje naar de joodse jeugdbeweging gegaan. Ook Vellah werd hier geconfronteerd met het feit dat ze geluk had gehad dat ze in Indië was geweest tijdens de oorlog. Na haar schooltijd wilde ze niet verder studeren. Ze besloot om zich te richten op dans en ballet, waar ze in Brastagi kennis mee had gemaakt. Ze ging naar een prestigieuze balletschool en ze zou meespelen in verschillende voorstellingen.

Vellah: “Ze zeiden dat het maar goed was dat ik in Indië was tijdens de oorlog.”

In 1952 ontmoette Vellah haar latere echtgenoot Otto. Otto was bezeten van muziek. Hij was eerst violist en later dirigent. Hij hoefde niet beroemd te worden, maar hij was heel gepassioneerd en gebrand om zijn werk te verbeteren. Ondertussen was Vellah gestopt met haar optredens. Ze besloot om les te gaan geven in (jazz)ballet. Als ballerina deed ze vooral klassiek ballet. Echter, toen ze begon met lesgeven bevrijdde ze zichzelf uit dat keurslijf. Ze vond dat ze door een vrijere stijl veel meer haar eigen ding kon doen. Vellah en Otto kregen twee kinderen: een zoon en een dochter. Met haar zoon heeft Vellah na zijn jeugd een wisselende relatie gehad. Soms spraken ze elkaar lange periodes helemaal niet. Haar dochter was een heel creatief kind, maar ze had ook psychische problemen. Ze had moeite met het leven en met studeren. Ze was vaak depressief. Op 24-jarige leeftijd is Vellah’s dochter in een psychose geraakt. Hierna heeft ze zichzelf opgehangen. Dit heeft een diepe wond achtergelaten bij Vellah. Ze wist wel dat haar dochter af en toe depressief was, maar ze kon niet echt doordringen tot haar en achterhalen wat er echt aan de hand was. Vellah heeft zichzelf lange tijd een schuldgevoel aangepraat. Pas toen ze lotgenoten ontmoette heeft ze het een plaatsje kunnen geven.

Vellah: “Was mijn opvoeding te vrij? Wat heb ik verkeerd gedaan?”

Jaren later ontmoette Vellah een vrouw die hetzelfde was overkomen: haar zoon was door zelfdoding om het leven gekomen. Nadat ze ervaringen hadden gedeeld, vonden ze dat ze samen iets moesten doen om andere ouders in deze situatie bij te staan. Achttien jaar lang organiseerden ze bijeenkomsten en lezingen over dit onderwerp. Vellah heeft het gevoel dat haar moeder heel ongelukkig is geweest in haar leven. Iedere keer als ze hiernaar vroeg klapte moeder dicht. Ze wilde er niet over praten. Vellah realiseerde zich dat ze dit voorbeeld niet wilde volgen. Door te praten met lotgenoten of andere mensen die begrip tonen, geef je jezelf de ruimte om je verdriet te verwerken. Als onderdeel van het verwerkingsproces heeft Vellah ook een boek geschreven over haar dochter. Dit is later gepubliceerd.

Terugkijkend op de oorlog komt Vellah tot een enigszins cynische constatering: zolang er mensen zijn blijft er ook oorlog. Vellah stelt dat ieder mens een stukje agressie in zich heeft. Vroeger moest de mens jagen en vechten om te overleven. Nu hoeft dat in theorie niet meer. Echter, wanneer mensen soortgenoten moeilijk verdragen, hebben lang niet alle mensen de innerlijke beheersing om deze agressie te onderdrukken. Bovendien zijn mensen nogal goed in het opvolgen van bevelen. Zodra je iemand kan overtuigen van een bepaald gedachtegoed, kan je hem in dat kader bijna alles laten doen. De combinatie van agressie en gehoorzaamheid vormen een gevaarlijke cocktail die kan uitmonden in oorlog.

Vellah: “Je kunt latere generaties niet de schuld geven van de oorlog maar ik zou een sadistische Jap nooit kunnen vergeven.”

Vellah’s leven kende veel tegenslagen. Na het overlijden van haar dochter zijn Vellah en Otto gescheiden. De nieuwe partner van Vellah zou later net als Esther omkomen door zelfdoding. Door de moeizame verhouding met haar zoon stond Vellah er hierna praktisch alleen voor. Toch is het haar gelukt om haar zinnen te verzetten. Volgens Vellah is het vooral zaak om niet ten onder te gaan in je eigen isolement. Ze gaat ook nu op hoge leeftijd nog naar balletvoorstellingen, musea en theatervoorstellingen. Voor Vellah ligt de betekenis van het leven bij de verbinding die je maakt met andere mensen. Door je open te stellen richting andere mensen verrijk je je eigen leven en dat van een ander. Soms moet je hiervoor uit je comfortzone stappen: “Voor veel mensen zijn vluchtelingen beangstigend, maar door je open te stellen voor mensen die het moeilijk hebben creëer je wederzijds begrip, vriendschap en verbondenheid.”

Verschillende wegen

Na de roerige tijd in Nederlands-Indië groeiden de zusters op in Nederland en bewandelden ze verschillende paden. Het was zeker niet makkelijk om te leven met de oorlogservaringen en om een nieuw leven op te bouwen in een ‘vreemd land’. Bovendien hebben de zusters op weinig steun kunnen rekenen omdat bijna niemand aandacht besteedde aan de gruwelijkheden die zich buiten Europa hebben afgespeeld. Toch hebben beide zusters de draad opgepakt en hebben ze ondanks tegenslagen hun directe omgeving een hoop liefde en optimisme meegegeven. Arianne met al haar werk voor de joodse gemeenschap en de andere mensen die ze ondersteund heeft. Vellah met het brengen van vreugde en inspiratie met haar passie voor dans, muziek en kunst. En met het bijstaan van lotgenoten die naasten hebben verloren. Ieder mens heeft andere ervaringen. Soms slechte en soms fijne. Maar wat men gemeen heeft is dat ieder mens in staat is om op zijn of haar manier de wereld een stukje beter te maken.

De interviews met de gezusters Colcher zijn opgenomen in 2018 door Herman Teerhöfer. Dit artikel is in 2020 geschreven door Jim Duijndam op basis van de interviews.

Hoe heeft God de holocaust kunnen gedogen?! (Mirjam Bolle-Levie)

Mirjam Bolle-Levie (1917) groeide op als Joods meisje in het vooroorlogse Amsterdam. Voorafgaand en tijdens de oorlog werkte ze voor het Comité voor Joodsche Vluchtelingen en later voor de Joodse Raad als secretaresse. In de loop van de oorlog werd ze opgepakt en verbleef ze in de kampen Westerbork en Bergen-Belsen. Ze overleefde de kampen en zou terechtkomen in Palestina (wat later Israël werd). Hier trouwde ze, kreeg ze kinderen en lukte het haar om een nieuw leven op te bouwen.

Jeugd in Amsterdam

Mirjam groeide op in een Joods gezin, ze was de oudste van twee dochters. Vooral haar vader was streng gelovig. Hij was zionist. Zionisten streven naar het stichten van een eigen land voor het Joodse volk in Palestina, waar zij de manier van leven kunnen bepalen. De rest van Mirjams familie vond dit maar raar. “We zijn toch gewoon Hollanders, wat hebben wij met Palestina te maken?” Mirjam ging dan ook naar een Joodse school terwijl haar omgeving vond dat ze juist naar een normale school moest gaan zodat ze ook in contact kwam met andere kinderen. Religie speelde een belangrijke rol in het gezin. Ze vierden Joodse feestdagen, ze aten volgens de Joodse traditie en ze gingen regelmatig naar de synagoge. Verder kwam ze in contact met andere Joodse kinderen bij de Joodse jeugdvereniging. Hier leerde ze haar toekomstige man kennen. Mirjam heeft goede herinneringen aan haar jeugd. Het was een fijne tijd. Van antisemitisme heeft ze geen last gehad. Contact met niet-Joden was hooguit onwennig.

Werken als secretaresse

Toen Mirjam ouder werd kwam ze een advertentie tegen van het Comité voor Joodsche Vluchtelingen. Ze reageerde op de advertentie, waarna ze al snel kon beginnen als secretaresse. Als secretaresse hielp ze Joden die uit Duitsland waren gevlucht. Hier was Hitler aan de macht gekomen waardoor het leven voor Joodse mensen steeds onprettiger werd. Vooral na de Kristallnacht in 1938 – een nacht waarin Joodse bezittingen en pandjes massaal werden vernield – kwamen er veel Joden richting Nederland. Mirjam schreef brieven naar instanties om zodoende te proberen om papieren of verblijfsvergunningen voor deze mensen te regelen. Dit was niet makkelijk want de Nederlandse staat was niet happig op het toelaten van vluchtelingen.

Bezetting van Nederland

In mei 1940 werd Nederland binnengevallen door het Duitse leger. Mirjam weet nog goed dat ze wakker werd gemaakt door haar vader. “De hel is losgebroken, het is oorlog”, zei hij toen de Duitsers de macht overnamen. Het Comité voor Joodsche Vluchtelingen waar Mirjam voor werkte ging hierna op in de Joodse Raad. Deze raad was opgericht door de Duitse bezetter om de Joodse gemeenschap te besturen. Mirjam had het geld nodig om te leven en bij verzet werd ze ontslagen. Ze had dus weinig keuze. De oorspronkelijke bestuurders van het comité bleven in functie omdat ze het idee hadden dat ze toch nog positieve invloed konden hebben op het lot van de Joodse gemeenschap, ondanks dat ze onder Duits bewind kwamen te staan. Uiteindelijk moest de Joodse Raad meewerken aan de deportatie van Joden en het opstellen van lijsten hiervoor. Na de oorlog was er dan ook veel kritiek op de Raad. Mirjam heeft zelf niet meegewerkt aan het opstellen van de lijsten. Ze stelt dat de leden wel mee moesten werken en dat het geen verschil had gemaakt als de leden van het Comité dit niet gedaan hadden. Ze voelt zich dan ook niet schuldig. Door haar werk mocht haar familie voorlopig in Nederland blijven en kon ze geld verdienen. Dit was nodig om haar familie te beschermen.

Voel je je niet schuldig dat je hebt gewerkt voor de Joodsche Raad?”, werd na de oorlog aan Mirjam gevraagd.

Tijdens de bezetting heeft Mirjam zich vaak heel angstig gevoeld. De bezetters hielden na verloop van tijd zogenoemde razzia’s waarbij Joden opgepakt werden voor deportatie. Mirjams familie wist te ontkomen aan de eerste razzia’s. Mirjam herinnert zich dat haar moeder voor een operatie in het ziekenhuis lag. Na acht uur ’s avonds mocht men niet meer naar buiten maar toch besloot Mirjam haar moeder te bezoeken. Ze bedekte haar Jodenster en ze deed zo voorzichtig mogelijk. Toch werd ze op de terugweg gesnapt door een Duitse soldaat. Gelukkig was dit een goede man. De soldaat besloot haar te helpen en bracht haar terug naar het Raadskantoor. Mirjam weet niet of ze het na had kunnen vertellen zonder hulp van de soldaat. Uiteindelijk werd Mirjam op straat opgepakt in juni 1943. Ze werd gelijk meegenomen en ze had geen mogelijkheid om spullen van huis mee te nemen. Ze werd op transport gezet naar Westerbork.

We zaten in continue angst. Als je ’s avonds Duitse stemmen en de laarzen van de soldaten op de straat hoorde. Gaan ze bij ons aanbellen?”

Leven in het kamp

Mirjam werd in Westerbork weer herenigd met haar vader en zusje. Zij waren thuis opgepakt rond dezelfde periode. Moeder zou later arriveren omdat ze nog in het ziekenhuis lag. Westerbork was geen pretje. Mirjam herinnert zich dat er weinig privacy was en dat de toiletten heel vies waren. Gelukkig was ze in staat om zich aan te passen aan de omstandigheden. Ze was vastbesloten om deze periode te doorstaan. In Westerbork deed ze werk als secretaresse op de school van het kamp. Dit stelde niet veel voor maar het hield haar in ieder geval bezig. Op de school had ze de beschikking over een typemachine. Hiermee schreef ze brieven die ze later naar haar geliefde wilde sturen. Haar geliefde was inmiddels al in Palestina. Soms was er in Westerbork tijd voor ontspanning. Er werd gezongen en er waren optredens van muziekkoren en komedianten. Op sommige momenten bestond er mogelijkheid voor Joodse rituelen. Echter, tijdens haar periode in Westerbork was er continu angst dat ze op de deportatielijst stond. Wekelijks vertrok een trein met gevangenen richting de kampen in het oosten. In januari 1944 werden Mirjam en haar familie op transport gezet.

Achteraf is het een raar idee dat ik me vermaakte met de optredens terwijl de familie van sommige artiesten soms een aantal dagen eerder op transport was gezet.”

De trein had concentratiekamp Bergen-Belsen als bestemming. Het feit dat ze in personenwagons zaten en niet in veewagens gaf Mirjam een beetje hoop. Misschien zou het meevallen. De reis duurde lang en het was heel koud. Bij aankomst moesten zij en haar zusje nog een uur lopen naar het kamp. Onderweg zag ze soldaten en blaffende honden en veel uitgemergelde gevangenen. Het was vreselijk. Eenmaal in het kamp moesten ze urenlang op appèl staan in de vrieskou. De omstandigheden waren nog veel slechter dan in Westerbork. In Bergen-Belsen kreeg ze ook administratieve klusjes. Daarnaast werd ze assistent van de leider van haar barak. Ze moest bijvoorbeeld zorgen dat iedereen ongeveer evenveel te eten kreeg.

Mirjam had haar brieven uit Westerbork mee weten te smokkelen. In Bergen-Belsen ging ze door met schrijven. Het was een uitlaatklep om de ellende van haar af te schrijven. Ze herinnert zich dat ze op een dag gefouilleerd werd. Met gevaar voor eigen leven gooide ze haar schriftjes met brieven over een hek. Gelukkig werd ze niet gesnapt door de bewakers. Tijdens haar verblijf in Bergen-Belsen gloorde er een sprankje hoop. Mirjams gezin stond namelijk op de ‘Palestina-lijst’. Een lijst waarop joden stonden die geruild konden worden tegen nazi-aanhangers uit Palestina. De eerste ruilpoging mislukte. Mirjam en haar familie waren klaar voor vertrek maar om onbegrijpelijke reden ging het niet door. Ze werden teruggezet in het kamp maar in een veel slechtere barak dan waar ze daarvoor zaten. Gelukkig werden ze niet veel later wel op de trein gezet. Iedereen was erg opgelucht. Ze dansten van geluk. Ongeveer 222 joden werden met een personentrein naar Palestina gebracht. Dit staat nu bekend als Transport 222. De reis was prachtig. Mirjam was verguld van blijdschap en opluchting. Mirjam zou later stellen dat het lot haar gunstig gezind was. De Palestina-lijst was haar redding. Het had heel anders af kunnen lopen, zoals bij al die anderen die gesneuveld zijn in de kampen.

Waar was God in de kampen? Hoe kon Hij zoiets vreselijks gedogen? Dat iemand op het idee komt om mensen op te sluiten en ze te vergassen is voor mij onbegrijpelijk.”

Leven na de oorlog

Mirjam werd na de treinreis herenigd met haar toekomstige echtgenoot in Palestina. Ze had helemaal niets. Alleen de kleren die ze aan had. Samen met haar man heeft ze bijgedragen aan het opbouwen van Palestina, wat later Israël zou worden. Na alle ellende die ze had ervaren was ze dolgelukkig dat ze bij haar geliefde was en dat ze kon gaan en staan waar ze wilde. Ze kregen samen drie kinderen. Na de oorlog heeft ze regelmatig haar verhaal verteld op bijeenkomsten in de hoop dat latere generaties er iets van zouden opsteken. Haar brieven zouden uiteindelijk gebundeld worden tot een boek dat in 2003 gepubliceerd is. Anno 2020 gaat ze nog steeds wekelijks naar de synagoge, op 103-jarige leeftijd. Ze vindt het een raar idee om zo oud te zijn, als ze hier weleens bij stilstaat. Ze geeft nog regelmatig interviews maar in de privésfeer heeft ze haar oorlogservaringen achter zich gelaten. Ze wil zich richten op de positieve dingen, waar ze nog kracht en voldoening uithaalt.

Dit artikel is geschreven door Jim Duijndam (in 2020) op basis van het interview van Herman Teerhöfer met mevrouw Bolle-Levie. Het interview is afgenomen op 3 januari 2020 te Jeruzalem.

“Door je dierbaren te eren, gedenk je ook de andere slachtoffers” (Harriët Isselmann)

Harriët Isselmann-Flatow (Berlijn 1921 – Den Haag 2010, geïnterviewd op 88-jarige leeftijd) is een vrouw van joodse komaf die getuige is geweest van de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Eerst in Berlijn en later in Amsterdam maakte ze mee hoe het antisemitisme (Jodenhaat) een steeds grotere invloed kreeg op het dagelijks leven. Ook Harriët werd uiteindelijk opgepakt door de Duitsers. Ze kwam terecht in Kamp Vught en later werd ze vervoerd naar Auschwitz. Hoewel ze deze nare tijd overleefde, verloor ze alles wat haar dierbaar was. Al haar dierbaren kwamen om en haar ambities en dromen – die ze als jonge intelligente vrouw had – werden haar afgenomen. In het interview vertelt Harriët hoe ze de oorlog heeft ervaren, hoe ze na deze periode weer is opgekrabbeld en hoe ze uiteindelijk weer zin heeft kunnen geven aan haar leven.

Harriët Isselmann-Flatow

Berlijn

Harriët werd op 29 augustus 1921 geboren in Berlijn. Hier zou ze tot haar twaalfde wonen. Harriët is geboren als eerste kind in het huwelijk van haar vader en moeder. Vader was een heel goede man. Hij zorgde goed voor het gezin en hij was een fanatieke belijder van het joodse geloof. Als beroep ontwierp hij vrouwenkleding. Moeder kwam uit een goed milieu. Ze had een buitengewoon modern wereldbeeld voor een vrouw uit deze tijd. Ze had een grote interesse om te leren en ze las veel boeken. Als beroep was ze correspondent en ze sprak veel vreemde talen. Echter, na het huwelijk moest ze de rol van huisvrouw op zich nemen en kon ze zich niet meer richten op haar maatschappelijke carrière. Zeven jaar na de geboorte van Harriët kreeg ze een broertje.

Als kind ontwikkelde Harriët zich snel. Ze wilde graag leren en ze hield echt van school. Ze ging naar een openbare lagere school waar alle geloven vertegenwoordigd waren. Het duurde niet lang voordat haar snelle ontwikkeling werd opgemerkt. Ze mocht al snel een klas overslaan. De ouders van Harriët hadden een positieve bijdrage aan haar snelle ontwikkeling. Zo kreeg ze al snel boeken van haar moeder om te lezen. Harriët was erg nieuwsgierig en ze wilde over allerlei zaken lezen. Moeder vond het belangrijk dat haar dochter zich breed oriënteerde. Zodoende kreeg ze veel vrijheid en mocht ze bijna alle soorten boeken lezen. Als Harriët iets nieuws had gehoord of gelezen dan wilde ze gelijk van haar ouders weten wat het betekende. Als kind wist ze al snel dat ze wilde studeren op de universiteit zodra ze ouder was. Later zou Harriët naar het lyceum gaan. Deze openbare school had een joodse directeur en er zaten ook aardig wat joodse kinderen op. De meeste mensen op de school waren dan ook tegen het opkomende nazisme van Hitler.

Het joodse geloof speelde een belangrijke rol binnen het gezin. Ondanks dat het gezin was aangesloten bij verenigingen die openbaar en algemeen waren, ging het gezin vooral om met andere gezinnen die ook joods waren. Dat voelde toch vertrouwder en veiliger, zou Harriët later zeggen. In Berlijn ging het gezin regelmatig naar een liberale synagoge. Hier waren andere regels van toepassing dan in Nederland. De meeste Nederlandse joden waren namelijk orthodox. Harriët herinnerde zich dat ze na het opstaan altijd samen met haar vader een joods gedicht las. Dit was haar eerste ervaring met de Hebreeuwse taal, die ze later op school zou leren. Als het ging om het geloof dan was Harriëts vader streng voor zijn dochter. Zo was Harriëts vader verontwaardigd toen hij erachter kwam dat Harriët ook weleens katholieke les kreeg op school. Harriët wist destijds niet eens wie Jezus was, ze vond het gewoon leuke verhalen.

In haar jaren in Berlijn ervoer Harriët dat de sfeer steeds meer gespannen werd. Aan het begin van de jaren twintig was er nog een optimistische periode, met veel vrijheid en een opleving in de kunst en de cultuur. Dit zou snel veranderen. Harriët zou voor het eerst te maken krijgen met antisemitisme toen ze zes jaar was. Ze wilde heel graag spelen met een blond meisje van de lagere school. Echter, de moeder van het blonde meisje wilde niet dat haar dochter met joodse kinderen speelde. Later kreeg Harriët van haar moeder te horen dat de moeder van het meisje antisemiet was.

In de jaren twintig brak er crisis uit. Geld was niets meer waard en veel mensen raakten hun werk kwijt. Harriët herinnert zich dat haar moeder een stukje boter ging kopen met miljoenenbiljetten. Door de grote paniek en de onrust in het land lukte het de partij van Hitler (NSDAP) om steeds populairder te worden. Hij beloofde veel werk en welvaart. Toen de partij van Hitler in 1933 aan de macht kwam, werden er in snel tempo anti-Joodse maatregelen doorgevoerd. Zo ervoer Harriët dat op het lyceum waar ze les kreeg de vlag verwijderd werd en dat er een hakenkruisvlag voor terugkwam. Rond deze tijd werkte vader al in Amsterdam, waar hij nieuw werk had gevonden. Naar aanleiding van de opkomst van de nazi’s besloot hij om de rest van zijn gezin in 1933 ook naar Amsterdam te halen.

Amsterdam

Eenmaal in Amsterdam aangekomen ging het leven weer door. Hier zou het gezin in ieder geval veilig zijn. Harriët ging er naar de middelbare school en ze probeerde zo snel mogelijk te wennen aan de nieuwe omstandigheden. Toch was dit niet makkelijk. Ze moest immers eerst Nederlands leren en nieuwe contacten opbouwen. Het was een hoogstaande school waar voornamelijk kinderen zaten van rijke ouders. Hier voelde Harriët zich niet zo thuis. Contacten leggen verliep moeizaam. Verder was Amsterdam als stad heel anders dan Berlijn. Amsterdam was vergeleken met Berlijn heel provinciaal. Zaken zoals toneel – waar het gezin vaak naartoe ging in Berlijn – waren in Amsterdam maar beperkt aanwezig.

Bovendien had het liberale joodse gezin weinig aansluiting met de over het algemeen orthodoxe Nederlandse joden. Aan het begin van de jaren dertig was er wel een liberale joodse gemeente opgericht, maar dit was nog kleinschalig. Vooral geïmmigreerde Duitse joden zoals de familie Flatow zouden zich aansluiten bij deze gemeente. Van een echte synagoge was geen sprake. De liberale gemeente kreeg een klein zaaltje toebedeeld om de diensten in te organiseren. In de beginperiode in Amsterdam was er alleen orthodoxe joodse les. Dit was heel anders dan Harriët gewend was in Berlijn. Gelukkig zou ze later wel weer liberale joodse les krijgen. Harriët maakte hier wel de nodige vriendinnen. Het waren voornamelijk Duitse kinderen met eenzelfde voorgeschiedenis als Harriët. Hierdoor begrepen ze elkaar en voelde het vertrouwd. Met deze kinderen heeft ze later ook in joodse toneelstukken gespeeld.

Financieel gezien had het gezin het niet makkelijk in Nederland. De economie zat nog steeds in een dip. Bovendien zou de vader van Harriët op jonge leeftijd komen te overlijden aan kanker. Hierdoor had het gezin nauwelijks inkomsten meer. Moeder was erg van slag door het overlijden van haar man. Harriët moest op 14-jarige leeftijd haar moeder ondersteunen en zorgen dat het goed ging met haar broertje. Zo werd ze in rap tempo op jonge leeftijd volwassen.

In 1940 zou Nederland uiteindelijk bezet worden door Duitsland. Tijdens de bezetting werd de sfeer grimmiger. De anti-Joodse maatregelen stapelden zich op. Bepaalde openbare plaatsen werden verboden voor joden, openbaar vervoer werd verboden en alle joden moesten na verloop van tijd een Jodenster dragen. Zo ook Harriët. Harriët herinnerde zich een moment vóór de invoering van de Jodenster. Ze liep op straat toen een Duitse soldaat een praatje met haar wilde maken. De soldaat wilde een beetje flirten met haar en kijken of ze interesse had. Echter, toen Harriët de soldaat vertelde dat ze van joodse afkomst was, wist de soldaat niet hoe snel hij weg moest lopen. Harriët heeft deze periode vooral als heel eng en beklemmend ervaren. Ze had het gevoel dat ze ieder moment opgepakt kon worden.

Tijdens de bezetting heeft ze dan ook meerdere momenten van extreme angst gehad. Op een dag fietste Harriët ergens waar op dat moment een razzia gaande was. Dit is het moment waarop joodse mensen van huis werden gehaald om ze op transport te zetten. Harriët besloot om aan te bellen bij het eerste huis wat ze zag. Gelukkig waren het vriendelijke mensen die haar wilden helpen. Op een andere dag werd Harriët van haar bed gelicht door een politieman die haar moest meenemen voor transport. De politieagent vertelde dat hij een lijst had met tien mensen die hij mee moest nemen, maar de politieman weigerde dit. “Mijn moeder zou zich diep schamen als haar zoon jullie zou meenemen. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen”, zei de politieagent.

Harriët en het gezin zouden nog geruime tijd in Nederland verblijven tijdens de bezetting. De familie werkte in de textiel, wat door de Duitsers als een belangrijk beroep werd gezien. Zodoende kregen ze een stempel waardoor ze voorlopig nog niet opgepakt konden worden. Na verloop van tijd zou dit veranderen. In januari 1943 werd ook de familie Flatow opgepakt. Geld om onder te duiken was er niet. Bovendien was het broertje van Harriët nog jong, hij was nog niet volwassen genoeg om te beslissen of hij wilde vluchten of onderduiken. Daarom besloten Harriët en moeder om met z’n drieën bij elkaar te blijven. Het gezin werd opgepakt en in een grote vrachtwagen geladen. Ze werden naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Dit theater was in gebruik als een verzamelpunt, waar ze nog 24 uur moesten wachten. Gedurende deze periode kregen ze niets te eten of te drinken. Na het wachten werden ze op de trein gezet richting Kamp Vught.

Kamp Vught

Eenmaal aangekomen op het station, had het gezin nog een lange wandeltocht naar het kamp voor de boeg. Na aankomst bleek dat het kamp was ingedeeld in verschillende zones. De vrouwen werden van de mannen gescheiden. Harriët en haar moeder werden gescheiden van haar broertje. Ook werd er een onderscheid gemaakt tussen zones voor joodse mensen en bijvoorbeeld delen waar opgepakte verzetslieden zaten. Op sommige zondagen werden de hekken opengedaan en mochten mensen uit verschillende delen elkaar bezoeken. In het kamp werd Harriët te werk gesteld. Het spaarzame voedsel wat de gevangenen kregen, vond ze walgelijk.

Harriët vertelt dat ze zich goed kon aanpassen aan de omstandigheden. “We zitten in het werkkamp en hier moeten we de tijd uitzingen, erger dan dit wordt het niet”, dacht ze op dat moment. Binnen het kamp werd Harriëts wereld heel klein. De dagen waren allemaal hetzelfde en er was geen mogelijkheid om keuzes of afwegingen te maken: je moest gewoon doen wat je opgedragen werd. Ze werd als het ware geleefd. Er waren irritaties over kleine dingen. Bijvoorbeeld waarom ze steeds weer ontluist moesten worden en dat spullen werden afgepakt door de leiding van het kamp.

Gedurende dit betekenisloze bestaan was er continu een angstige sfeer. Op gezette tijden werden namelijk lijsten opgesteld met gevangenen die gedeporteerd moesten worden naar het oosten. Wanneer de mensen meegenomen werden en wie er precies op de lijsten stonden was altijd onzeker. Op een dag kwam moeder erachter dat Harriët op een lijst stond om op transport te worden gezet. Moeder is toen heel moedig geweest. Ze is naar de leiding gegaan om te zeggen dat Harriët van de lijst moest. Dit lukte. Harriët stelt dat ze het niet overleefd had als moeder niet zo moedig was geweest.

Moeder wilde dat Harriët zich aanmeldde voor het Philips Kommando. Dit was een gedeelte in het kamp waar gevangenen werkten voor Philips. Ze bouwden generators, radiobuizen en andere apparatuur voor de oorlogsindustrie. Wanneer je voor dit Kommando werkte, dan zou je voorlopig niet gedeporteerd kunnen worden. Toevallig was Philips op zoek naar jonge vrouwen. Voor Harriët was het de kans om voorlopig in veilige handen te zijn. Echter, in eerste instantie weigerde ze om mee te werken aan de oorlogsindustrie. Na veel praten wist moeder haar toch over te halen. “Als je moeder je iets opdroeg, dan luisterde je daar naar”, zou Harriët later zeggen.

Door toeval kwam Harriët bij de SOBU terecht. Dit was een afdeling van het Philips Kommando waar joden werkten die voor de oorlog al in dienst waren van Philips. Harriët werkte mee aan radiobuizen voor vliegtuigen. Naar verluid werden deze onderdelen gesaboteerd door Philips. De onderdelen werden zo gemaakt dat ze snel kapot gingen, waarmee ze de nazi’s tegenwerkten. Door de inmenging van Philips waren de omstandigheden voor de gevangenen een stuk beter. Het eten wat Harriët kreeg was goed, lekker zelfs. Verder werkte ze maximaal 8 uur per dag, kreeg ze pauzes en voedselbonnen waarmee ze eten kon kopen in de kantine. Philips zorgde goed voor de gevangenen. Als er sprake was van transporten dan werkte Philips altijd dusdanig tegen dat de gevangenen in Vught konden blijven.

Binnen de afdeling was de sfeer vrij gemoedelijk. Er ontstonden bepaalde groepjes van mensen die met elkaar praatten tijdens het werk en daarbuiten. Harriët trok vooral op met een aantal andere intelligente meisjes die ook geïnteresseerd waren in lezen, cultuur en dergelijke. Verder werden Harriët en de andere gevangenen ook op de hoogte gehouden door Philips over de vorderingen aan het front. Zo was men hoopvol gestemd toen via de radio duidelijk werd dat de Duitsers de slag om Stalingrad aan het verliezen waren van de Sovjet-Unie.

In november 1943 werd moeder gedeporteerd naar Auschwitz, wat ze niet zou overleven. Na deze tijd waren alleen het Philips Kommando en wat andere afdelingen overgebleven. De meeste gevangenen waren inmiddels gedeporteerd. Toen Harriët alleen overbleef, kreeg ze ook de tijd om na te denken over andere zaken zoals het geloof. Gedreven door al het onheil wat haar en de joodse gemeenschap overkwam is ze het bestaan van een God in twijfel gaan trekken. God leek haar en haar familie immers ook niet te kunnen behoeden voor het kwaad. Ze begon steeds meer te geloven dat het leven was als een keten die gedreven wordt door verschillende schakels. Deze schakels zouden vooral uit toevalligheden bestaan. Voor sommige personen – zoals moeder en haar broertje – zou het lot slecht uitpakken. Ditzelfde lot was haar wel gunstig gezind. Het gaf Harriët een heel fijn en vrij gevoel om niet langer gebonden te zijn aan een bepaald gedachtegoed zoals een religie.

In Kamp Vught kwam Harriët ook in aanraking met het communisme. Ze realiseerde zich dat mensen in benarde situaties vooral behoefte hebben aan steun. Sommige mensen vonden steun via het gezin, waar ze alles voor over hebben. Andere mensen vonden steun bij het geloof en God. Weer anderen geloofden in een politieke stroming zoals het communisme. Het idee dat je er niet alleen voor stond, maakte het voor veel mensen de moeite waard om niet op te geven en om te hopen op betere tijden.

In juni 1944 kon Philips niet langer tegenhouden dat de joodse gevangenen gedeporteerd werden. Harriët werd op de trein gezet naar Auschwitz.

Harriët Isselmann-Flatow met Herman Teerhöfer

Kamp Auschwitz

Na een lange treinreis kwam Harriët samen met de andere vrouwen van het Philips Kommando aan in Auschwitz. Bij aankomst moesten ze lang in de trein blijven wachten omdat er bij de leiding onenigheid was over de wijze waarop de mensen verdeeld moesten worden. Eenmaal in het kamp moesten Harriët en de andere vrouwen zich helemaal uitkleden om ontluist te worden. Hierna kregen ze slechte, armoedige kleren die ze aan konden trekken. Eigenlijk was het de vrouwen direct duidelijk wat er allemaal in Auschwitz gebeurde. Er hing een grote rode gloed boven het kamp en er hing een geur van verbrand mensenvlees. Het was afschuwelijk. Toen ze vroegen wat er met de andere mensen van Kamp Vught – waaronder Harriëts moeder – gebeurd was, was een zwijgen genoeg om te begrijpen dat de meeste van hen direct vermoord waren.

Harriët herinnert zich dat de slaapplaatsen veel te klein waren. Iedereen lag op elkaar en tegen elkaar aan. Op de tweede dag kreeg Harriët haar nummer getatoeëerd, met eronder een driehoekje, wat stond voor het Philips Kommando. Er was een totaal gebrek aan hygiëne in Auschwitz. Er liepen overal ratten en er braken verschillende ziektes uit. Gelegenheid om je te wassen of te toiletteren was er nauwelijks. Bovendien werd je hardhandig aangepakt door de soldaten als je wegging van de plaats die je toegewezen was. De gevangenen werden op de meest onmogelijke tijden, soms midden in de nacht, op appel geroepen waarna ze uren in de kou moesten blijven staan.

Na vier dagen mocht Harriët gelukkig alweer weg uit Auschwitz. Er was besloten dat een deel van het Philips Kommando van onder een bepaalde leeftijd moest gaan werken in een fabriek in Reichenbach. Harriët had het geluk dat ze net jong genoeg was, waardoor ze Auschwitz kon verlaten. Het kan bijna niet anders dan dat de leiding van Philips op een of andere manier voor elkaar had gekregen dat ze de vrouwen vier dagen na aankomst in Auschwitz lieten gaan.

“Op een gegeven ogenblik in die vier dagen, het moet de derde dag zijn geweest, kwam iemand van ons, van het Philips Kommando, die zei ‘je tante staat aan het hek’. Ik zei mijn tante, ik heb hier geen tante? Ik ging kijken en het was mijn nichtje. En omdat wij tien jaar schelen, dacht ze dat het mijn tante was. En die zei tegen mij dat haar haar net was kaalgeschoren. Het begon net weer aan te groeien. Ze heeft me na de oorlog verteld hoe zij het heeft overleefd. Maar ze stond daar en vroeg ‘heb je iets nodig’. Je stond daar praktisch spiernaakt, he? Met een jurk en een vieze broek. En toen dacht ik ineens: ‘een lapje stof’. Ik zei ‘als je aan een zakdoekje kunt komen’. Ik dacht, daar kun je je mee afdrogen en mee wassen, dan heb je iets. Ja dat was heel belangrijk. Heel belangrijk! En later, na de oorlog, zei ze tegen mij ‘Toen ik kwam kon ik ergens voor zorgen. En gelukkig, toen ik terugkwam om het doekje te brengen waren jullie al weg’. Dus ik heb het doekje nooit van haar ontvangen.”

Harriët Isselmann

Restant van de oorlog

Harriët en de andere vrouwen van het Philips Kommando werden op de trein gezet naar Reichenbach. Hier moesten de vrouwen met de technische scholing van Philips werken aan bepaalde onderdelen. De vrouwen werkten tussen de niet-joden. Deze mensen waren kennelijk niet geschikt geacht om te vechten aan het front. Harriët heeft meer dan een half jaar gewerkt in deze fabriek, totdat deze op 18 februari 1945 gebombardeerd werd. Vermoedelijk door de Sovjet-Unie.

Wat volgde was een periode tot aan het einde van de oorlog waarbij de vrouwen van kamp naar kamp werden gesleept en vervoerd. Harriët herinnerde zich dat ze na het bombardement vier dagen lang moesten lopen in de vrieskou richting een ander kampement. Onderweg aten ze sneeuw, eten was er niet. ’s Nachts vonden ze onderdak in nabije schuren. De situatie was zwaar en uitputtend, Harriët kon zich op dat moment niet voorstellen dat ze hier levend uit zou komen.

Na nog een aantal keer per trein vervoerd te zijn naar andere kampen werden de vrouwen naar Scandinavië gebracht. Via Denemarken naar Zweden. Rond deze tijd besefte Harriët voor het eerst dat het bijna voorbij was en dat er niets meer kon gebeuren. De verzwakte vrouwen kregen rond deze tijd weer voor het eerst goed eten. Harriët en de anderen schaamden zich voor hun vieze uiterlijk, wat in contrast stond met de luxe behandeling die ze kregen. De aankomst in de Zweedse stad Malmö maakte grote indruk:

“We hadden, de avond daarvoor uit een kartonnetje te eten gekregen, en nu kregen we ontbijt aan boord van de trein, en we werden bediend door stewards in rok. En we schaamden ons zo om onze oude plunje en hoe wij er uitzagen. Het was de eerste klas. En er was hotelzilver en er waren gedekte tafels, een zacht eitje en roomboter en echte koffie en toast en waarschijnlijk iets van jam of zo. Dat was ons ontbijt, werkelijk verrukkelijk. Maar we schaamden ons zo: wat moeten die mensen van ons denken zoals wij eruit zien. Nou en toen kwamen we aan in Malmö. Dat was om een uur of vijf, want je zag de zon steeds lager zinken als een rode bal, en vanaf daar gingen we naar badhuizen. Dat was de eerste keer in twee-en-een-half jaar dat ik dacht: je hoeft je niet te haasten. In de kampen was je altijd bang dat als je te langzaam was, dat er iets zou gebeuren. Je wilde ook liever nooit ergens achteraan staan want je wist niet wat daar gebeurde, achteraan. Dat was altijd eng, achteraan wist je niet wat er aan de hand was. Als je met die mensen achteraan stond, dan had je de hele stoet voor je. En nu hoefden we ons niet te haasten, nu deden ze ons niks meer. Toen voelden we ons voor het eerst vrij. En toen gingen wij als laatste naar badhuis, omdat we dachten ‘we hebben nu de tijd’.

Harriët Isselmann

Harriët was al in Zweden toen de Duitsers capituleerden. Dit nieuws werd natuurlijk met veel enthousiasme en gejuich ontvangen.

Nasleep van de oorlog

Na de oorlog zou Harriët tot het begin van 1947 in Zweden blijven. Eerst werd ze opgevangen en verzorgd zodat ze weer helemaal gezond zou worden. Haar lichaam was immers erg verzwakt door de gebeurtenissen van de periode hiervoor. Via contacten die ze had opgedaan kwam ze in contact met een man die aanhanger was van het communisme. Mede door haar kennismaking met het communisme in Vught was ze geïnteresseerd geraakt in het fenomeen. In eerste instantie spraken ze over het communisme, maar na verloop van tijd bleek dat de twee een heel goede chemie hadden. Zodoende zijn Harriët en de man met elkaar opgetrokken tot haar vertrek uit Zweden in 1947.

Terug in Nederland

Op een avond kwam Harriët met de trein aan in Nederland. Ze werd er opgehaald door een kennis waar ze ook voorlopig kon blijven slapen. In deze periode heeft Harriët zich heel eenzaam gevoeld. Ze was stateloos en bijna al haar dierbaren waren overleden. Harriët herinnert zich nog dat ze aankwam bij het gemeentehuis om zich aan te melden. De ambtenaar herkende haar nog en hij zei dat hij blij was dat ze terug was gekomen. Harriët dacht toen van binnen dat ze hier nog niet zo zeker van was. Wat had deze wereld haar nou nog te bieden na al het onheil wat ze had meegemaakt…? Als deel van het verwerkingsproces heeft ze een graf gekocht ter nagedachtenis van haar familie. Het nummer dat Harriët in Auschwitz had gekregen heeft ze nooit weg laten halen. Dit gold voor haar als een herdenking voor alle mensen die zijn omgekomen tijdens de oorlog. “Door je dierbare(n) te eren, eer je tegelijkertijd iedereen die is omgekomen tijdens de oorlog”, beredeneerde Harriët.

Na verloop van tijd wilde Harriët graag zelfstandig zijn en weg uit het huis waar zij tijdelijk verbleef. Ze heeft toen gesolliciteerd naar de functie van korsetmaker om haar eigen middelen van bestaan te krijgen. Ze was blij dat ze werk kreeg, maar veel liever had ze gestudeerd aan de universiteit. Echter, dit was niet mogelijk omdat Harriët niet de juiste vooropleiding heeft kunnen afronden door de oorlog. Niet veel later zou Harriët haar toekomstige man ontmoeten. Ze trouwden in 1949. De twee zouden geen kinderen krijgen maar het was zeker een gelukkig huwelijk. Ook nadat ze jaren later uit elkaar gingen, zouden ze altijd bevriend blijven. In 1950 zou ze ook haar Nederlands paspoort krijgen. Dit had grote symbolische waarde: na al die jaren dat de maatschappij haar had verloochend, werd ze eindelijk een volwaardig burger.

Haar man was een journalist bij een krant. Hij deelde de interesse van Harriët in literatuur, kunst en cultuur. Ze gingen vaak samen naar musea, concerten en andere culturele zaken. Harriët stelt dan ook dat ze niet heeft kunnen studeren aan de universiteit, maar dat ze door haar grote intellectuele interesse aardig is ingelopen op de ervaringen die ze op de universiteit gemist heeft. Ook heeft ze een tijd samen met haar man een pension gehad in Ibiza. Daar leerde ze een nieuwe, vrij losbandige cultuur kennen. Ze vond het een heel mooie ervaring, maar deze cultuur lag haar wat minder. Als oorspronkelijk Duitse heeft ze zich vereenzelvigd met de nuchtere en sobere cultuur die in Nederland heerst.

In haar latere leven heeft Harriët ook deel uitgemaakt van de nodige betekenisvolle zaken. Zo heeft ze een periode in Suriname gewoond. Hier ervoer ze dat het mogelijk was dat allerlei verschillende culturen en bevolkingsgroepen op een waardige en respectvolle manier met elkaar om konden gaan. Het koesteren van de waardigheid van mensen heeft Harriët ook gebracht tot het strijden voor een recht op zelfbeschikking. Als iemand het idee heeft dat het leven niet meer de moeite waard is, dan moet diegene zelf kunnen beslissen om uit te stappen vindt Harriët. Door al haar sombere ervaringen beseft ze goed dat het leven voor veel mensen een strijd is geweest met veel slechte momenten. Betreffende haar eigen leven trekt ze dan ook in twijfel of het het waard is geweest. Tevens is Harriët lang lid geweest van D66. Deze partij strijdt al sinds haar bestaan voor zaken als het recht op zelfbeschikking.

Vrede en democratie

Harriët is een felle tegenstander van alle vormen van geweld. Ze zou zichzelf dan ook niet in kunnen denken hoe het moet zijn om iemand te vermoorden. Ze verafschuwde de wijze waarop zij zelf en andere gevangenen in haar bijzijn als beesten zijn behandeld. Het stemt Harriët somber en verdrietig dat de mens kennelijk in staat is om zulke vreselijke dingen te doen. Op elk willekeurig moment in de tijd is er ergens in de wereld een oorlog gaande, wordt er een gewelddadige staatsgreep gedaan of komt er ergens een gewelddadige dictator aan de macht die lak heeft aan de mensenrechten.

Harriët is een groot voorstander van democratie als instrument om vrede te handhaven. Natuurlijk is democratie niet zaligmakend. Om met de woorden van Churchill (oud-minister-president Groot-Brittannië) te spreken: “Democratie is niet het beste systeem, maar het minst slechte.” In een democratie worden veel verkeerde beslissingen genomen, maar het zorgt er wel voor dat de meerderheid van vredige mensen een vuist kan maken tegen bestuurders die geweld verheerlijken of gebruiken.

Dit artikel is geschreven door Jim Duijndam op basis van het interview van Herman Teerhöfer met mevrouw Isselmann-Flatow.

“Laten we vooral in gesprek blijven met elkaar” (Hanneli Goslar)

Hannah Elizabeth ‘Hanneli’ Goslar (91 jaar) is een vrouw van joodse afkomst die de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en overleefd heeft. Tijdens de oorlog heeft ze gevangen gezeten in doorvoerkamp Westerbork en later is ze op transport gezet naar kamp Bergen-Belsen in Duitsland. Hanneli is vooral bekend vanwege haar nauwe vriendschap met Anne Frank, die later beroemd zou worden na de publicatie van haar dagboek. Na de oorlog verhuisde Hanneli naar Israël, waar ze zou gaan werken als kraamverzorgster.

Vroege jeugd

Hanneli is geboren op 12 november 1928. Als kind groeide ze op in een orthodox-joods gezin in Berlijn. Haar vader heeft een deel van de Eerste Wereldoorlog doorgebracht in Polen. Hier kwam hij in contact met orthodoxe joden, waarna hij zelf ook strenggelovig werd. Later heeft hij het orthodox-joodse geloof doorgegeven aan de moeder van Hanneli en zijn kinderen. De vader van Hanneli had een goede baan bij de Duitse regering, hij was raadgever van de Minister van Binnenlandse Zaken. Nadat Hitler de verkiezingen had gewonnen (1933), besloot de familie Goslar te vertrekken uit Duitsland, omdat ze zich hier niet meer gewenst voelden. Na een korte periode in Groot-Brittannië vertrok het gezin naar Amsterdam.

De vader van Hanneli zette in Nederland een bedrijfje op om Duitse joden te helpen emigreren naar Nederland. Dit was niet gemakkelijk omdat in deze tijd alle grenzen tussen Europese landen gesloten waren. Ondertussen ging Hanneli in Nederland naar de basisschool. Dit vond ze aan het begin spannend, vooral omdat ze nog geen Nederlands sprak. Gelukkig was er in diezelfde periode een ander Duits meisje dat ook voor het eerst in Nederland naar school ging: Anne Frank. De twee meisjes hadden elkaar kort voordat school begon al ontmoet. Ze woonden namelijk in dezelfde wijk. Hanneli heeft haar schooltijd in Nederland als prettig ervaren. Samen met Anne kletste ze vooral veel en lette ze niet altijd even goed op. De docenten en de directrice van de school maakten geen onderscheid tussen joodse en niet-joodse kinderen en ze hebben Hanneli altijd goed behandeld. Door de vriendschap tussen de twee meisjes waren de familie Goslar en de familie Frank bevriend geraakt. Ze kwamen vaak bij elkaar op bezoek en samen vierden ze joodse feestdagen.

Antisemitisme en begin Jodenvervolging

Ondanks dat Hanneli naar eigen zeggen niet veel last heeft gehad van haar joodse achtergrond in haar jeugd, is ze wel degelijk in aanraking gekomen met antisemitisme (jodenhaat). Toen ze nog in Berlijn woonde, moest ze verhuizen omdat haar vader als ambtenaar van de Duitse regering ontslagen werd. Hetzelfde gold voor alle andere Duitse joden die voor de regering werkten. Ook in Groot-Brittannië werd het joodse geloof van de familie Goslar niet volledig geaccepteerd. Vader kon er niet werken omdat hij weigerde ook op zaterdag te werken. Op zaterdag is het sabbat, de wekelijkse rustdag voor joodse mensen. Ook in Nederland kreeg de familie Goslar problemen. Na de Duitse bezetting kon de familie het eigen bedrijf niet voortzetten. Voortaan moesten ze via andere klusjes aan geld komen. Samen met een Italiaanse man maakten ze bijvoorbeeld ijs, wat ze vervolgens op straat verkochten. Zo kon de familie toch nog iets verdienen waarvan ze eten konden kopen. Na de Duitse bezetting werden Hanneli en andere joodse kinderen geweerd van normale scholen. Ze moesten voortaan naar aparte joodse scholen. Hanneli had het geluk dat ze net het jaar hiervoor de basisschool had afgemaakt.

In de zomer van 1942 worden de eerste joodse mensen opgeroepen voor werkkampen. Toen was niet bekend dat het eigenlijk om vernietigingskampen ging. De zus van Anne Frank stond op de eerste lijst. De familie Frank besloot hierna om onder te duiken in het kantoor van vader Frank. Als men vroeg waar de familie gebleven was, dan werd gezegd dat ze waren verhuisd naar familie in Zwitserland. Hanneli heeft de jaren hierna gedacht dat Anne veilig in Zwitserland verbleef. De familie Goslar kon niet onderduiken. Dit kwam omdat ze een jong kind hadden en omdat mevrouw Goslar opnieuw in verwachting was. Omdat meneer Goslar ambtenaar was geweest kon hij valse Paraguayaanse paspoorten regelen en hij regelde dat de familie Goslar op een bepaalde lijst kwam te staan. Op deze lijst stonden mensen die naar Palestina (het huidige Israël) zouden verhuizen. Mensen uit bepaalde landen (bijvoorbeeld Paraguay) die op deze lijst stonden hoefden in eerste instantie niet naar de kampen. Duitsland kon deze mensen namelijk ruilen tegen Duitse soldaten die in vijandige landen waren opgepakt en daar vast zaten. Zodoende kon de familie Goslar tot 1943 in Nederland blijven wonen.

Leven in het kamp

In 1943 besloten de Duitsers om ook de mensen van de beschermde lijst op te pakken. Hanneli kwam terecht in doorvoerkamp Westerbork. In Westerbork hadden de joodse mensen die er al langer zaten een weeshuis opgebouwd voor jonge kinderen. Hanneli heeft haar zeven maanden in kamp Westerbork doorgebracht in het weeshuis, samen met haar kleine zusje. In dit weeshuis zaten veel jonge kinderen en baby’s die in het land gevonden waren. Sommige kinderen werden verstopt bij boerderijen of op andere plaatsen. Van veel van deze kinderen was het niet duidelijk of zij nog levende ouders hadden of waar die ouders waren. Hanneli verbleef in het weeshuis om te helpen met het verzorgen van haar kleine zusje en de andere kinderen die hier verbleven. In Westerbork werd het zusje van Hanneli erg ziek. Een kennis van de familie Goslar was dokter en zat ook opgesloten in het kamp. Hij heeft uiteindelijk het kindje succesvol geopereerd, terwijl er geen professionele doktersspullen aanwezig waren in het kamp. Hanneli’s verblijf in Westerbork was zwaar, maar naar omstandigheden nog dragelijk. De leiding van het kamp was niet zo gewelddadig en onmenselijk als in andere kampen. Zo probeerde de commandant altijd te zorgen voor extra eten voor de kinderen in het weeshuis.

Na Hanneli’s periode in Westerbork werd ze doorgevoerd naar Bergen-Belsen. Hier hebben Hanneli en haar zusje het restant van de oorlog gezeten. Na het verlaten van de trein moesten de meisjes nog een lang stuk lopen. Dit was haast niet te doen, omdat Hanneli’s zusje nog steeds ziek was. Gelukkig werd dit opgemerkt en mochten de twee meisjes instappen in een auto die richting het kamp reed. In Bergen-Belsen werden geen mensen vergast, zoals dat in Auschwitz wel gebeurde. Echter, de omstandigheden waren slecht: er moest hard gewerkt worden en de gevangenen zaten met heel veel mensen in te kleine barakken. Eten was schaars. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden. Hierdoor kon Hanneli haar vader maar heel soms zien. Uiteindelijk zijn er in Bergen-Belsen vooral veel mensen gestorven aan ziektes zoals de tyfus. De mensen zaten te dicht op elkaar en de onhygiënische omstandigheden zorgden ervoor dat ziektes snel verspreid werden. Later in de oorlog, werden mensen uit Auschwitz getransporteerd naar Bergen-Belsen. Deze mensen brachten luizen en andere besmettelijke ziektes mee, waardoor in de laatste maanden van de oorlog nog veel mensen gestorven zijn.

Hanneli werd ook ziek. Ze kreeg geelzucht. Hiervoor moest ze naar het ziekenhuis. Gelukkig wilde een joodse familie uit Griekenland haar zusje verzorgen in het kamp in de tijd dat ze weg was. Een lid van de Griekse familie had een tijd in Berlijn gewoond en kende de vader van Hanneli goed. Als dank voor alles wat Hanneli ’s vader voor de joodse mensen had gedaan, wilde de Griekse familie zorgen voor Hanneli en haar zusje. In 1945 heeft Hanneli ook nog contact gehad met Anne Frank, die inmiddels van Auschwitz was getransporteerd naar Bergen-Belsen. De joden uit Auschwitz werden met een muur gescheiden van de andere gevangenen. De Duitsers waren bang dat de joden uit Auschwitz hun verhalen over de gruwelijke omstandigheden in het kamp zouden doorvertellen aan de joden aan de andere kant van het hek. Contact tussen Hanneli en Anne moest stiekem. Enkele keren heeft Hanneli eten over het hek gegooid naar Anne. Anne en haar zus Margot waren al te ziek en zouden uiteindelijk overlijden in Bergen-Belsen. Hanneli en haar zusje wisten de oorlog wel te overleven.

Leven na de oorlog

Hanneli vertelt na de oorlog dat de joodse overlevenden verschillend zijn omgegaan met het joodse geloof. Sommige joodse mensen zijn volledig van het geloof afgestapt. Als er daadwerkelijk een God bestaat, waarom heeft deze de mensen dan niet behoed voor deze vreselijke tijd? Een tijd waarin hele families vermoord zijn en waarbij enkele overlevende familieleden achterbleven met een schuldgevoel. Waarom hadden zij het overleefd en hun dierbaren niet? Bovendien werden veel naoorlogse kinderen niet meer joods opgevoed omdat ouders hun kinderen wilden beschermen voor het antisemitisme. Andere joodse mensen zien het feit dat ze nog leven juist als een daad van God. Zodoende zijn sommige mensen het geloof juist intensiever gaan belijden. Dit geldt bijvoorbeeld voor Otto Frank. De vader van Anne was de enige overlevende van de familie Frank. Hij stond er alleen voor. Dankzij het geloof bleef hij in contact met andere joodse mensen. De saamhorigheid tussen de joodse mensen en het gezamenlijk vieren van de joodse tradities hielp bij het rouwproces: kunnen optrekken met mensen met gelijke ervaringen, die als enige een voorstelling konden maken van het leed dat joodse mensen hebben ervaren.

Hanneli is na de oorlog naar Israël verhuisd. Hier heeft zij lange tijd als kraamverzorgster gewerkt. Ook heeft ze veel gepraat en haar ervaringen gedeeld met andere mensen. Dit heeft haar geholpen om het leed te verwerken. Terugkijkend op de oorlog kan ze nog steeds niet bevatten hoe het kan dat mensen op commando de meest vreselijke dingen kunnen doen. Ze vindt het onvoorstelbaar dat Duitse soldaten op commando mensen in koelen bloede hebben vermoord, terwijl ze thuis hun kinderen en huisdieren vertroetelden met liefde en aandacht. De mens is van nature niet gewelddadig, maar als ze gedwongen worden of overtuigd worden van een bepaalde waarheid, dan zijn ze tot vreselijke dingen in staat. Hanneli heeft dan ook als boodschap voor de jeugd dat men vooral moet blijven praten. Geweld en oorlog lossen niets op. Mensen moeten vooral in gesprek blijven gaan en proberen wederzijds begrip op te brengen. Ze vindt het belangrijk dat deze verhalen verteld blijven worden, zodat men zich blijft herinneren dat oorlog en genocide het ergste is wat de mensheid kan overkomen.

Dit artikel is geschreven door Jim Duijndam op basis van het interview van Herman Teerhöfer met Hanneli Goslar.

“Niemand vraagt je om iets te vinden” (Max Koker)

Max Koker (1927, geïnterviewd op 90-jarige leeftijd) is een man met een joodse achtergrond die is geboren en opgegroeid in Amsterdam. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is hij opgepakt en vervoerd naar kamp Vught en later naar kamp Auschwitz. In deze tijd verloor hij zijn vader en zijn broer David Koker. David heeft later naamsbekendheid gekregen door de publicatie van zijn dagboek, dat hij in kamp Vught geschreven heeft. Na de oorlog heeft Max zijn leven weer op weten te pakken. Hij studeerde economie, had een succesvolle maatschappelijke carrière, trouwde en kreeg (klein)kinderen.

Portretfoto Max Koker
Max Koker

Vroege jeugd

Max Koker werd geboren op 5 maart 1927, in Amsterdam-Zuid. Max groeide op in een klein gezin bij zijn ouders en zijn vijf jaar oudere broer David. De families van zijn ouders waren oorspronkelijk Duits, maar ze verbleven al geruime tijd in Nederland toen Max geboren werd. Vader werkte aan schilderijen, was leraar en hij ontwierp juwelen. Moeder was voor de oorlog vooral huisvrouw. In de tijd voor de oorlog had Max het gevoel dat hij minder werd gewaardeerd dan zijn broer. David was dan ook 5 jaar ouder en hij was al druk bezig met schrijven, het belijden van het joodse geloof en hij ging naar de universiteit. In die tijd nam Max het allemaal nog niet heel serieus. Voor school deed hij weinig moeite. Toen de broers later in de kampen meer met elkaar op moesten trekken, kreeg met name David steeds meer waardering voor zijn jongere broertje.

Het geloof speelde een belangrijke rol voor de familie Koker. Max en zijn familie gingen regelmatig naar de synagoge. Thuis kookte moeder gerechten uit een joods kookboek. Max ging in zijn jeugd naar een joodse school, waar hij onder andere Hebreeuws leerde. Verder kreeg hij extra les om Hebreeuws te lezen en schrijven omdat zijn ouders dat belangrijk vonden. Zaterdag ging Max niet naar school omdat dit de rustdag van het joodse geloof is. De school accepteerde dit. Max kan zich nog heugen dat hij een gebed moest lezen tijdens zijn bar mitswa. De bar mitswa vindt plaats bij joodse jongens die dertien jaar worden. Vanaf dat moment moet een joodse jongen verantwoording afleggen aan God. Max had moeite met het lezen van Hebreeuws en hij herinnerde zich dat zijn vader teleurgesteld was over de vorderingen die hij had gemaakt tijdens de lessen. Net als David zou Max zich ook aansluiten bij de zionistische jeugdbeweging. Zionisme is een denkwijze waarbij gestreefd wordt naar het stichten van een onafhankelijke joodse staat. Verder vertelt Max dat hij in de periode vóór de bezetting van Nederland weinig last heeft gehad van antisemitisme (Jodenhaat).

De bezetting

Max weet het moment nog goed dat Duitsland de aanval op Nederland opende. Op 14 mei 1940 werd Rotterdam gebombardeerd. Uiteindelijk zou Nederland op 15 mei 1940 capituleren en bezet worden door Duitsland. Vader moest rond die tijd richting de haven van Rotterdam om spullen op te halen voor zijn werk. Nadat hij had aanschouwd dat de hele stad weggevaagd was, keerde hij totaal verslagen huiswaarts. Hierna volgden allerlei anti-joodse maatregelen. Max moest naar een speciale school voor joodse kinderen. Later werden ook alle joodse scholen gesloten. Vanaf een zeker moment werden alle joodse mensen, waaronder Max, verplicht om een Jodenster te dragen. Zodoende werden joodse mensen onderscheiden en uitgesloten van de rest van het volk.

Max herinnert zich deze periode vooral als grauw en somber. Er is niets uit de periode van de bezetting waar Max met plezier op terugkijkt. De sfeer werd steeds grimmiger. Op een zeker moment kwamen er Duitse soldaten langs het huis van de familie Koker om bepaalde mensen op te pakken. Op deze momenten was moeder heel dapper. Ze verzon een list waarbij ze de kinderen op zolder verstopte en waarbij vader in bed ging liggen omdat hij zogenaamd een besmettelijke ziekte had opgelopen. In deze tijd voelde vader zich vooral heel somber en machteloos en was het moeder die haar gezin probeerde te beschermen. Niemand van het gezin besloot onder te duiken. Vooral David had in zijn vriendengroep en bij de universiteit genoeg vrienden die hem konden helpen onderduiken, maar hij besloot bij het gezin te blijven. Uiteindelijk werd het gezin opgepakt en naar de schouwburg gebracht, in februari 1943. Van hieruit zouden ze uiteindelijk verder vervoerd worden naar kamp Vught. Max en David hadden de mogelijkheid om te ontsnappen, maar ze wilden het gezin niet in de steek laten. Max herinnert zich vooral dat er veel herrie en rumoer was. Hij onderging het gelaten.

Kamp Vught

Vanuit de schouwburg in Amsterdam, die dienst deed als gevangenis voor joden, werd de familie Koker overgeplaatst naar concentratiekamp Vught. Toen ze aankwamen werden de mannen van de vrouwen gescheiden. Hierdoor trok Max vooral op met vader en David in het kamp. Daarnaast ontmoette hij een andere joodse jongen: Fedush Hertz. De twee zouden veel met elkaar optrekken. Het staat hem vooral nog bij dat hij zich heel erg verveelde in het kamp. Behalve werken, vooral vloeren aanvegen, was er weinig te doen. In zijn tijd in Vught vroeg Max zich vooral af waarom ze nou opgesloten werden. “Wat hebben die mensen tegen ons!?”

Vooral dankzij David was de periode in Vught nog redelijk vol te houden. Dankzij de contacten die David onderhield in het kamp kon hij regelen dat zij zich aan konden sluiten bij het Philips-Kommando. Het bedrijf Philips, dat in de buurt van het kamp gevestigd was, had in samenspraak met de kampleiding een werkplaats ingericht in het kamp waar een aantal gevangenen werkzaamheden konden verrichten voor het bedrijf. Binnen het Philips-Kommando werden de mensen wat beter behandeld door de bewakers en kregen ze ook wat beter te eten. Daarnaast had Max wat om te doen tegen de verveling. Max moest binnen het Kommando werken op de transformatorenafdeling. Binnen kamp Vught was het heel belangrijk dat je de juiste contacten onderhield. Zo kon je een bepaald netwerk opbouwen, waardoor je zaken als werk en eten kon krijgen.

Op sommige momenten was er plaats voor enige ontspanning in Kamp Vught. Zo werden er veel grappen gemaakt in de barakken waar de gevangenen zaten. Verder werd er ook muziek gemaakt en trad er af en toe een orkest op. Voor Max waren deze momenten heel belangrijk. Op deze momenten voelde het leven weer even ‘normaal’, zoals het vroeger was. “Deze momenten waren de chocolade in een afschuwelijke pudding”, zou Max later vertellen.

Ondertussen was David bezig aan zijn dagboek in kamp Vught, wat later gepubliceerd zou worden. Later zou blijken dat David in kamp Vught al had meegekregen wat voor gruwelijke dingen er in Auschwitz gebeurden. Verschillende brieven van de Duitsers waren namelijk onderschept. Destijds had David besloten om hierover niets te zeggen tegen de anderen. Uiteindelijk werd de familie Koker in juni 1944 gedeporteerd naar Auschwitz.

Kamp Auschwitz

Toen de trein in Auschwitz aankwam, zag Max een roodgloeiende lucht boven het kamp. Op dat moment dacht hij nog dat die rode gloed veroorzaakt werd door de staalfabriek in het kamp. Later zou blijken dat die gloed veroorzaakt werd door het cremeren van joden die al eerder in het kamp waren beland. Bij aankomst werden de mannen weer van de vrouwen gescheiden. Moeder werd doorgevoerd naar Birkenau en de drie mannen werden naar het hoofdkamp gebracht. Iedereen kreeg een uniek nummer op de arm getatoeëerd. De joodse mensen werden dus letterlijk als nummers behandeld.

Omdat de mensen uit het Philips-Kommando, waaronder Max, waren geregistreerd als belangrijke radiotechnici, werden ze niet gelijk naar de gaskamer gebracht. In de drie maanden dat Max in Auschwitz verbleef, heeft hij allerlei soorten werk gedaan. Aan het begin heeft hij muurtjes gemetseld. Later heeft Max gewerkt voor het Kanada-Kommando. In Auschwitz werd je vergast als je niet was aangesloten bij een Kommando. Je moest dus werken om in leven te blijven. Eigen initiatief en slimmigheid was hierbij heel belangrijk. Bij sommige Kommando’s werden de gevangenen geslagen en hardhandig aangepakt. Je moest dus zorgen dat je je aansloot bij een Kommando waar je redelijk behandeld werd en waar misschien nog iets te eten was. Het eten was schaars en van slechte kwaliteit. Mede hierdoor zou Max ziek worden in Auschwitz. Gelukkig was hij snel weer beter, want regelmatig werden alle zieken weggehaald en naar de gaskamer gebracht. Tot zijn opluchting mochten Max, vader en David Auschwitz na drie maanden verlaten. Ze werden op de trein gezet naar Langenbielau.

Langenbielau

Langenbielau was een arbeidskamp in Neder-Silezië. Hier moest Max werken in een fabriek waar onderdelen van radiozenders werden gemaakt. Ze kregen één keer per dag te eten. Voornamelijk bloedsoep. Bloed van andere mensen te eten krijgen was nogal gruwelijk, maar het was wel voedzaam volgens Max. Uiteindelijk hebben Max en David hier afscheid moeten nemen van vader. Hij was door de slechte omstandigheden te ziek geworden. Niet veel later werd David op de trein naar Dachau gezet. Het was onderweg zo koud dat David doodvroor. Later zouden Max en zijn vriend Fedush Hertz ook ziek worden. Ze werden naar een soort ziekenhuis gebracht. Terwijl ze hier lagen realiseerde Max dat ze het niet lang zouden overleven als ze in het ziekenhuis zouden blijven liggen. Eens in de zoveel tijd werden alle patiënten meegenomen en vermoord.

Gelukkig werkte een neef van Fedush in de administratie bij een nabijgelegen kampje. Deze neef heeft een smoes bedacht om de twee naar werkkamp Dürnau te brengen. Fedush was radiodeskundige en mocht daarom naar het werkkamp. Voor Max werd een beroep verzonnen zodat hij ook uit het ziekenhuis kon ontsnappen. In dat kamp zou Max opnieuw ziek worden. Hij werd in een paardenstal verstopt zodat de Duitsers hem niet zouden vinden. Op een dag waren de Duitsers opeens verdwenen en verschenen er Russen op paarden die de gevangenen, waaronder Max, kwamen bevrijden. Hierna werd Max herenigd met andere overlevenden van het Philips-Kommando. Uiteindelijk zouden ze via Praag terugreizen naar Nederland.

Max Koker tijdens het interview met Herman Teerhöfer

Leven na de oorlog

In Nederland werd Max opgevangen door een oom. Deze oom had tijdens de oorlog ondergedoken gezeten. Een tijdje hierna is Max ook nog naar een bijeenkomst van Philips geweest om de mensen te bedanken. Voor het eerst in jaren kon Max zich weer echt vrij voelen. Niemand die hem dwong om bepaalde dingen te doen. Niemand die hem meer pijn kon doen of in gevaar kon brengen. Samen met zijn vrouw heeft Max een gedenksteen neergezet bij een van de massagraven, om de dierbaren die hij verloren heeft te eren.

Terugkijkend op de oorlog voelde Max zich bevuild door alle narigheid die de mensen hem hebben aangedaan. De manier waarop zijn vrijheid werd afgenomen en de onmenselijke wijze waarop hij behandeld is, hebben hem diep geschokt. Gedurende zijn hele leven heeft hij nog last gehad van nare dromen waarin hij opgepakt werd of naar een kamp gebracht zou worden. Toch besefte Max dat hij verder moest en dat hij moest proberen om zijn leven weer op te pakken. Dit lukte. Zonder hulp of therapie. Max besloot om economie te gaan studeren, waarna hij een succesvolle carrière in het bankwezen zou maken. Ook zou hij trouwen, kinderen en kleinkinderen krijgen.

Na de oorlog heeft Max geen moeite gehad met zijn achtergrond. “Ik heb een joodse achtergrond en dat hoort bij mij.”, zou hij later zeggen. Echter, Max zou weinig steun vinden in het geloof na de oorlog. Max gelooft niet meer dat er zoiets bestaat als een god. Als God echt zou bestaan, dan had hij in de donkere tijden van de oorlog moeten ingrijpen en alle mensen moeten beschermen tegen het kwaad, vindt Max. Hij voegt hieraan toe dat mocht God toch bestaan, hij een heel slecht mens is. Max noemt zichzelf atheïst. Dit is een stroming waarbij het bestaan van een god afgewezen wordt. Wel is Max lid geworden van de joodse gemeente. Dit heeft hij gedaan om zijn vader te eren. Vader is immers de kans ontnomen om het geloof na de oorlog te belijden.

Naarmate Max ouder wordt, merkt hij dat zijn oorlogservaringen hem steeds meer bezighouden. Toch probeert hij zijn ervaringen niet te veel te delen met zijn (klein)kinderen, om hen geen onnodige sombere denkbeelden mee te geven. Kijkend naar de mensheid ziet Max dat mensen op een negatieve manier om gaan met conflicten. Hitler is immers ook door de Duitse bevolking gekozen. Mensen kozen voor een man die haat en geweld gebruikte om zijn doelen te bereiken. Ook in 2020 worden nog steeds politici verkozen die haat of geweld verkiezen boven verdraagzaamheid.

Wat Max heeft ervaren is vooral dat je problemen en irritaties niet te zwaar aan moet zetten. Natuurlijk zijn er verschillende groepen, verschillende religies en verschillende denkbeelden. Maar men moet beseffen dat verschillen tussen groepen of mensen nooit belangrijker kunnen zijn dan het verdragen en respecteren van elkaar. Max voegt hieraan toe: ”Sommige mensen zullen hierop antwoorden dat ze dan nooit meer iets mogen zeggen of mogen vinden van een ander. Op mijn beurt zeg ik dat er ook niemand is die je vraagt om van alles en iedereen iets te vinden.”

Dit artikel is geschreven door Jim Duijndam op basis van het interview van Herman Teerhöfer met Max Koker.

Holocaust-kenner over het leven in Auschwitz: ‘De mensen gingen dagelijks door een hel’

door Nick Groenen, 3 juli 2020

In Auschwitz werd niet iedereen bij aankomst gelijk richting de gaskamers gestuurd. Mensen tussen de 15 en 40 jaar werden geselecteerd om het kamp binnen te gaan. Grote groepen mensen hebben maandenlang in het kamp gevangen gezeten. Maar hoe zag het leven in Auschwitz er voor deze mensen eigenlijk uit? Om een antwoord te krijgen op deze vraag gingen wij in gesprek met Holocaust-kenner Herman Teerhöfer.

Herman Teerhöfer is naast zijn werkzaamheden als geestelijk verzorger al jaren bezig met een audiovisueel interviewproject voor zijn stichting Smolinski Foundation. Voor dit project heeft hij inmiddels al 84 overlevenden van het concentratiekamp Auschwitz uitgebreid geïnterviewd. Vanwege dit grote aantal interviews heeft Herman een gedetailleerd beeld van hoe het leven in Auschwitz eruitzag.

Dagelijkse routine

In het kamp zag elke dag er ongeveer hetzelfde uit. Maandag tot en met zaterdag waren lange werkdagen. Gevangenen waren op zondag “vrij”.

Een werkdag begon gemiddeld om half 5 in de ochtend (in de wintermaanden om half zes) zodat zij op tijd klaar konden staan voor het ochtendappèl, een telling van alle gevangenen. ‘De Duitsers hielden erg van structuur in het kamp dus het was voor hen belangrijk dat alles precies klopte.’

Het ochtendappèl duurde ongeveer een halfuur, maar vaak kon het ook wel urenlang duren. Als het appèl werd verstoord of als er mensen ontbraken kon de telling namelijk weer opnieuw beginnen. ‘Er werd ook geen rekening gehouden met de kou of juist hele hete temperaturen. Het was zowel geestelijk als lichamelijk een grote vernedering.’

Kommando’s

Na het appèl kregen de gevangenen het werk toegewezen dat ze die dag moesten doen. Dit werk vond zowel binnen als buiten het kamp plaats. Veel van de gevangenen waren in Kommando’s’ ingedeeld. Kommando’s waren werkgroepen met een specifiek doel. ‘De lengte van het verblijf in Auschwitz hing veel af van het Kommando waar je in ingedeeld was. In Kommando’s waar gevangenen zwaar lichamelijk werk moesten verrichten hielden zij het maar vaak 2 tot 3 maanden vol. In andere Kommando’s hielden mensen het langer vol dan in andere omdat de werkomstandigheden beter waren.’

De kwaliteit van leven was bijvoorbeeld beter in Kommando’s als het Kartoffel-Kommando en het Kanada-Kommando. ‘Het Kanada-Kommando was een apart gedeelte in Auschwitz waar onder andere alle koffers, brillen en kleding gesorteerd werden. Deze spullen waren van de grote groepen met nieuwe mensen die dagelijks in het kamp aankwamen. Iedereen die in Auschwitz aankwam moest al zijn persoonlijke bezitten afstaan.’

Als je in een beter Kommando zat betekende dat nog niet dat het leven in Auschwitz voor sommige mensen kon meevallen. Iedereen maakte zware werkdagen van ongeveer 12 uur lang en kreeg voortdurend te maken met mishandeling, sadisme en ellende. ‘De mensen gingen dagelijks door een hel.’

Steun

Als de werkdag was afgelopen keerden de gevangenen terug naar de barakken. Hier moesten zij weer geteld worden tijdens het avondappèl waarna zij vervolgens een kleine hoeveelheid voedsel kregen dat nooit genoeg was. Dit eten bestond uit een beetje brood met margarine of soep.

‘In de barakken vielen veel mensen eigenlijk gelijk in slaap omdat het werk dat zij deden zo zwaar was voor het lichaam. De mensen die wat later gingen slapen gebruikten deze tijd vooral om steun bij elkaar te zoeken. Mensen zochten bijvoorbeeld andere mensen in de barakken op die uit dezelfde regio kwamen. Zij haalden dan kracht uit het delen van herinneringen en het praten over het leven dat zij hadden voordat zij in Auschwitz terechtkwamen.’

Hel op aarde

Veel van de Auschwitz-overlevenden die Herman heeft gesproken hebben het kamp omschreven als de letterlijke hel op aarde. ‘De lucht in het kamp was vanwege de crematoria gitzwart, de mensen hadden last van allerlei ziektes en er was altijd een risico dat er iets met je kon gebeuren.’

Een overlevende heeft Herman een keer verteld dat ze op zondag buiten de barak zat en nog steeds voorzichtig moest zijn. ‘Als er een SS’er met een herdershond langs zou komen kon dat al je dood betekenen.

Er zijn veel Auschwitzoverlevenden die na de bevrijding uit het kamp niet meer konden geloven, zo verschrikkelijk waren de gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt.’

Nick Groenen heeft dit interview en de video gemaakt in het kader van zijn examenopdracht aan het Mediacollege in Amsterdam t.b.v. het Nationaal Auschwitz Comité.

‘De gevangene probeerde de Duitsers om de tuin te leiden’

door Max Middel, 27 mei 2020

Herman Teerhöfer is 45 jaar oud en is van beroep geestelijk verzorger en theoloog. Sinds 2010 heeft hij 84 Auschwitz overlevenden geïnterviewd met beeld en geluid. Deze interviews hebben allemaal een boodschap tegen discriminatie, antisemitisme en het feit dat Auschwitz nooit meer plaats mag vinden. In 2018 richtte hij de Smolinski Foundation op. Teerhöfer geeft veel gastlessen op middelbare scholen en hogescholen en hij geeft diverse lezingen. Hij vindt het belangrijk dat deze verhalen bewaard blijven voor de toekomstige generatie.

“Ik vind het belangrijk dat deze getuigenissen van de eerste generatie bewaard blijven voor toekomstige generaties. Ik wil jonge mensen laten nadenken over wat er is gebeurd.” Er werd vroeger veel gediscrimineerd en joden werden buitengesloten. “Het begon klein: dat je als joodse persoon niet meer naar de bioscoop mocht of ergens op een bankje in het park mocht gaan zitten. Daarna moest je naar een aparte school voor joodse leerlingen. Ik wil duidelijk maken wat dit kan betekenen en waar het naar toe kan leiden. In mijn interviews is het belangrijkste thema de krachtbronnen. De focus is: hoe hebben mensen zich geestelijk op de been gehouden ondanks een gevangenschap van soms wel 3 jaar?”, begint Teerhöfer.

“Auschwitz was een vernietigingskamp. Weinigen zijn daar de dans ontsprongen, het was hel op aarde. Er zijn daar heel veel mensen vermoord, voornamelijk joodse mensen. Het is niet te bevatten dat dit 75 jaar geleden heeft plaatsgevonden.” Het is bijzonder dat Herman zo veel overlevenden heeft kunnen spreken. “Elk mens en elk levensverhaal is uniek. Het verhaal raakt mij altijd, ook bij de 84e. Ik probeer de mensen en hun levensverhaal tot hun recht te laten komen en daarbij aan te sluiten.”

Tegenspreken in Auschwitz

Als Teerhöfer gevraagd wordt welk interview hij het meest bizar vond, komt hij met het volgende verhaal van vier vrouwen die hij heeft geïnterviewd. “Deze vrouwen zaten in het medisch experimentenblok in Auschwitz. De vrouwen werden opgeroepen met hun nummer, ze hadden toen geen naam meer. Ze werden meegenomen voor medische experimenten met als doel om ze onvruchtbaar te maken, ze wilden bijvoorbeeld de eileiders doden”, begint Teerhöfer. “Eén van die vrouwen vertelde mij dat als ze pijn had, zei dat het niet zo was. Als ze geen pijn had zei ze het omgekeerde. Ze wilde hiermee de zogenaamde artsen en verpleegkundigen om de tuin leiden. Deze mevrouw moest ook een keer de villa van dokter Carl Clauberg opruimen, er was namelijk een feest geweest. Er lagen allemaal etensrestjes, maar omdat ze te vies was van die man heeft ze het niet gegeten terwijl ze het wel kon gebruiken. Ook daarin heeft ze geprobeerd om er boven te staan. Ze dacht: ‘ze willen mij toch wel dood maken’, maar ze heeft met veel wilskracht geprobeerd om in leven te blijven en dat is gelukt.”

Ontkomen aan de gaskamers

“Toen de gevangenen in Auschwitz aankwamen werd er een grote groep naar de gaskamers gestuurd, maar bij dit transport zijn er meer dan 100 vrouwen geselecteerd voor blok 10, het medisch experimentenblok, waaronder ook deze vier vrouwen. Zij kregen daar iets meer te eten en ze hoefden geen zwaar werk te verrichten in verschillende zware weersomstandigheden, dat heeft tweederde van de groep vrouwen uit blok 10 gered.”

Gelukkig konden deze vrouwen het verhaal nog na vertellen aan Herman Teerhöfer, want in 1945 werden ook zij bevrijd. “Half januari 1945 moesten ze in de ‘dodenmars’ het kamp verlaten, omdat de Russen optrokken naar Auschwitz. Toen is een groot deel van Auschwitz naar Ravensbrück gedeporteerd. Daar zijn ze pas in mei 1945 bevrijd.”

Herman Teerhöfer heeft nog een interview uitgekozen, een gesprek waar hij echt op één lijn zat met de overlevende. “Ik heb Max Hamburger geïnterviewd, hij was arts. In februari 1944 kwam hij op 24-jarige leeftijd in Auschwitz, maar toen hij aankwam vonden de Duitsers hem te jong om arts te zijn. Daarom moest hij tijdelijk allerlei onderdelen van vliegtuigen uit een trein halen, dat was echt zwaar lichamelijk werk. Dit zware werk heeft hij ook maar enkele weken verricht. Normaal zou je dit maar gemiddeld 2 tot 3 maanden volhouden.”

“Daarna moest hij zich melden bij iemand om een examen af te leggen om te kijken of hij wel echt arts was. Als hij de verkeerde antwoorden had gegeven moest hij wederom het zware werk doen. Het was hem gelukkig gelukt. Hij moest later de grote barakken in Auschwitz ontluizen.” Hamburger kreeg meer te eten voor zijn werk en hield daarom wat over voor zijn collega’s. “Uit solidariteit heeft hij zijn soep ergens achtergehouden voor zijn collega’s die wel het zware werk moesten doen. Het heeft hem erg goed gedaan dat hij in die omstandigheden toch daaraan heeft gedacht. Hij kon het natuurlijk zelf heel goed gebruiken, maar hij wilde het goede doen door te delen met anderen.”

Kruipend naar het ziekenhuis

“Uiteindelijk werd Max Hamburger in april 1945 in Buchenwald bevrijd. Hij woog toen 35 kilo. Bij de bevrijding kwam er nog een soldaat aan en gaf hem nog een schop, maar hij heeft hem niet doodgeschoten wat hij in eerste instantie wilde doen. Hij moest kruipend naar het ziekenhuis, hij was zo zwak dat hij niet meer kon lopen”, aldus Teerhöfer over de bevrijding van Max Hamburger.

“Na de oorlog is hij psychiater geworden en heeft hij veel andere overlevenden begeleid om met hun trauma’s om te gaan. Toen ik hem vroeg of hij is toegekomen om zijn eigen trauma te verwerken zei hij: ‘nee, ik heb mij altijd in dienst gesteld van een ander.’”

Nooit meer Auschwitz

“De vraag Nooit meer Auschwitz stel ik altijd aan de mensen die ik interview. En ik merk toch altijd dat ze dan bang zijn voor de toekomst. Niet dat Auschwitz op dezelfde manier zou plaatsvinden, maar als je in de wereld kijkt naar landen zoals Rusland, Noord-Korea, Irak of Iran weet je niet welke kant het op kan gaan. Vrede is een breekbaar begrip.”

Max heeft dit interview gemaakt in het kader van zijn examenopdracht aan het Mediacollege in Amsterdam t.b.v. het Nationaal Auschwitz Comité.

Mijn drijfveer

Een drijfveer van mij is om de mensen en de levensverhalen van Auschwitz-overlevenden centraal te stellen. Mij fascineert enorm hoe overlevenden zich geestelijk op de been hebben weten te houden en hoe mensen zin hebben gegeven aan hun leven na de oorlog ondanks vele verlieservaringen.

Elk levensverhaal (bekend en onbekend) is uniek en is kostbaar als bewijs waartoe mensen in staat waren. Deze getuigenissen blijven een waarschuwing voor intolerantie. Het is een boodschap aan onze huidige generatie en aan toekomstige generaties dat anti-semitisme en discriminatie in de breedste zin van het woord niet tolereerbaar zijn.

Ook als in de toekomst de laatste overlevenden van Auschwitz overleden zijn, dan zal ik middels dit audiovisuele interviewmateriaal hun stem laten horen en hun een gezicht laten houden!

Herman Teerhöfer

Leny Boeken-Velleman

Leny Boeken-Velleman, heb ik meerdere malen thuis en op scholen mogen interviewen. Deze foto is genomen in juni 2011 op de Fontys Hogeschool in Tilburg. Zij heeft haar levensverhaal verteld aan studenten geschiedenis, die later les gaan geven aan middelbare scholieren over o.a. de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging. Leny Boeken-Velleman heeft vaak haar getuigenis afgelegd in het bijzonder aan scholieren en studenten om zo een bijdrage te leveren aan meer verdraagzaamheid in de samenleving.

DSC04349 kleiner leny Boeken op school kleiner

Krachtbronnen en Anne Frank

Lenie de Jong-van Naarden (1915-2015), vertelt in dit interviewfragment over haar geestkracht hoe mentaal om te gaan in Auschwitz met de ellende die ze om haar heen zag. In het tweede deel van dit fragment vertelt ze over Anne en Margot Frank en de zorgen van hun moeder Edith Frank in Auschwitz. Lenie de Jong-van Naarden is met de familie Frank in dezelfde veewagon naar Auschwitz gedeporteerd op 3 september 1944 vanuit Westerbork. In Westerbork en ook de eerste twee maanden in Auschwitz-Birkenau had zij contact met de familie Frank tot het moment kwam dat zij met een groep van 50 Nederlandse joodse vrouwen geselecteerd is voor het dwangarbeiderskamp Libau in Opper-Silezië. Daar is Lenie de Jong-van Naarden bevrijd begin mei 1945.