Dov Nasch

Bernat Nasch (door vrienden ‘Dov’ genoemd, Hebreeuws voor ‘beer’) werd geboren op 7 april 1930, rond het joodse Pasen, in de stad Nové Zámky. Deze stad (in het Hongaars: Érsekújvár en in het Duits: Neuhäusel) lag toen in Tsjechoslowakije, maar voor de Eerste Wereldoorlog hoorde het tot Groot-Hongarije. In de stad woonden destijds zo’n 40.000 joden. Nové Zámky had destijds 40.000 inwoners, waarvan ongeveer 10 procent joods. Er waren twee joodse gemeenten: een voor orthodoxe joden en een voor liberale joden. De orthodoxe gemeenschap (waar het gezin Nasch toe behoorde) was religieuzer, volgde meer de joodse Thora en had een eigen orthodoxe synagoge.

Het gezin Nasch

Bernats vader was Zsigmond Nasch, afkomstig uit Bratislava, en zijn moeder Szeren Roth, afkomstig uit een orthodoxe joodse familie uit een dorp aan de Hongaars-Roemeense grens. Ze vestigden zich in Nové Zámky en kregen zes kinderen: Frieda, Miriam, Itzhak, Ester, Bernat en Emil. Het gezin Nasch was niet echt rijk, maar was toch in een goede positie. Zijn vader, die voor zijn werk in een papierhandel vaak naar Boedapest reisde, was actief in de joodse gemeenschap; zijn moeder zat in een joodse vrouwenorganisatie die arme mensen hielp. “Mijn vader was weliswaar orthodox en hield zich aan de joodse wetten, maar had een open blik met kennis van de joodse geschiedenis én van de wereldgeschiedenis. Ook kende hij de moderne wereld. Het was een intelligente en belezen man: hij las Duitse kranten, luisterde naar de radio en was op de hoogte van de wereldpolitiek. Het was een humaan mens die graag anderen hielp. Omdat hij graag zijn kennis met anderen deelde, gaf hij op vrijdag en zaterdag les aan de mensen. Ook begeleidde hij vaak de rabbijn in de synagoge en was daar tevens voorzanger.”

De sjabbat

Het gezin Nasch volgde alle joodse wetten (zoals de sjabbat en koosjer eten) en ging naar joodse scholen, al waren ze verder heel modern. “De sjabbat begon bij ons al op donderdagavond. Mijn moeder bakte dan voor de sjabbat, en wij proefden daar dan van. Op de morgen van de sjabbat mochten we niet naar school gaan, want het was heilig voor ons. Omdat we op de sjabbat zelf niet mochten koken, bereidde moeder al op vrijdagmorgen het eten. Ze maakte dan challes (een speciaal brood voor sjabbat) en cholent (een aardappelstoofpot). Omdat we zelf geen oven hadden, brachten we dat naar de bakker om te bakken en haalden het daarna weer op. Na de middag namen we een bad en deden we nieuwe kleren aan. Op vrijdagavond stak moeder de kaarsen aan. Daarna gingen de jongens met vader naar de synagoge.”

Na het gebed hing thuis een echte sjabbat-sfeer: de kaarsen brandden en iedereen zat stil aan tafel. Vader Nasch maakte dan een kidoesj (een ritueel om de komst van de sjabbat te zegenen). Hij sprak dan een joods gebed met een kelk wijn. Dan zegende hij iedereen met een gebed uit de Thora (de Eeuwige zal u beschermen). Voor Bernat was dat een belangrijk moment. “We voelden ons dan beschermd als we op zaterdag naar de synagoge gingen.” Nadat iedereen de handen had gewassen, begon de sjabbatmaaltijd. Eerst werd een challes-brood in stukken gesneden en verdeeld, waarna het avondmaal begon: soep, vlees en andere gerechten. Tijdens de maaltijd werd een joods lied gezongen. Bernat vond zelf de sjabbat geen gemakkelijke dag, omdat dan veel niet mocht. De telefoon mocht niet worden opgenomen en ze mochten niet naar de radio luisteren.

Wel vond hij het heel normaal dat in zijn orthodoxe milieu andere wetten golden dan bij niet-joden. Zo werden op zijn derde jaar zijn haren al afgeknipt. Een niet-joods meisje hielp bij de opvoeding van de zes kinderen. Zij deed iedere ochtend en avond met hen de joodse gebeden. Bernat sprak zelf iedere ochtend bij het ontbijt een zegenbede uit om God te danken dat ze gezond waren en geen honger leden. “Dat was heel normaal. Ik had het gevoel: ik ben als jood geboren, en zo moet ik leven. Toch voelde het niet als opgelegd; het was juist iets vanzelfsprekends. We waren ook trots dat we joden waren en waren uitverkoren door God. Het joodse geloof is voor mij ook een heel humaan geloof. Net als de joodse wetten. Ik zie ook dat bij de religieuze joodse jeugd de moraal en de discipline veel beter is dan bij niet-gelovige jeugd. Ook qua ethiek: hoe ga je met elkaar om?

Overigens had Bernat als kind geen duidelijk beeld van God. “Hoewel het iets was wat ik niet kan bevatten, was ik er wel van overtuigd dat er een kracht was die boven ons was.”

Hoogtijdagen

Van de joodse hoogtijdagen herinnert Bernat de matses die bij Pesach werden gebakken in de bakkerij bij de synagoge. Met het paasfeest was er dan de seideravond. “Voor ons als kinderen was dat heel interessant, want wij moesten dan vragen stellen. Ook was er dan veel warmte en verbondenheid, en de hele familie was dan samen.” Iedere feestdag was anders. “Zo werd tijdens Sjawoeoth (het Wekenfeest) het huis en de synagoge versierd met bloemen. De geur van die bloemen kan ik me nog steeds herinneren. Daarentegen waren joods Nieuwjaar en Jom Kippoer heel serieus. Dan droeg mijn vader in de synagoge een wit gewaad (een ‘kittel’), als boetedoening. Dat was best een treurige en moeilijke dag. Ook duurde de dienst langer dan tijdens de gewone sjabbat. Die sfeer rond Jom Kippoer heeft me wel beïnvloed. Er waren dan (net als bij de sjabbat) veel beperkingen: niet werken, niet naar de radio luisteren en geen voorwerpen aanraken waarmee we werkten, zoals hamers. Zelf heb ik rond mijn tiende voor het eerst een hele dag gevast en een hele dag in de synagoge gezeten. Mijn moeder zat dan in de vrouwensynagoge. Omdat sommige vrouwen dan onwel werden, vroeg mijn vader me dan om te kijken hoe het met haar ging.

Drie dagen na Jom Kippoer begon Soekot, het Loofhuttenfeest. We bouwden dan een hut, die door de kinderen versierd werd en waar we dan zeven dagen lang in aten. Ik voel nog steeds de reuk van de soeka op het dak; dat was iets speciaals. In de winter had je ook nog Chanoeka. Bij dit Lichtfeest worden acht dagen lang lichten aangestoken op een kandelaar: de eerste dag één, de tweede dag twee, en zo verder. Dit als herinnering aan de Grieken die ooit de joodse tempel ontwijd hadden. Toen de joden de tempel heroverden, was er nog heilige olie voor één dag, maar door een wonder bleef die olie acht dagen branden.”

Onder Hongarije (1938-1944)

Het gezin Nasch had tot 1938 van jodenvervolging weinig last. Nové Zámky viel toen nog onder Tsjechoslowakije. “Dat was een democratisch land zonder echt antisemitisme en de joden hadden het er heel goed. Voor de Eerste Wereldoorlog vielen we echter onder Oostenrijk-Hongarije, en joden hadden daar een goed leven. Daardoor waren de joden meer hongaarsgezind en voelden we ons meer Hongaren dan Tsjechen. Joden (waaronder mijn moeder) spraken veelal Hongaars en zelf wist ik meer van de Hongaarse cultuur dan die van Tsjechoslowakije. Toen in 1938 het gebied met onder meer Nové Zámky door Hitler weer werd teruggegeven aan Hongarije, ontvingen we de Hongaren dan ook met open armen en met Hongaarse vlaggen. Vanaf nu zouden we Hongaars kunnen spreken en naar een Hongaarse school kunnen gaan. Maar nadat onze buren hadden verteld dat naast hen een joods gezin woonde, werd onze Hongaarse vlag weggehaald, werden we uitgemaakt voor vuile joden en werden onze ruiten ingegooid. Vanaf toen werd alles slechter voor ons en ik was erg bang. Omdat Hongarije een bondgenoot van Duitsland was, veranderde in de jaren 1938-1944 de sfeer. Langzaamaan werden anti-joodse wetten ingevoerd en kwamen er steeds meer beperkingen. Dat ging echter stapje voor stapje. Zo mochten joden geen professor meer zijn, ze mochten niet meer namens Hongarije naar de Olympische Spelen en later mochten ze ook niet meer naar de bioscoop. Ook moesten we voortaan onze papierhandel ook op zaterdag (de sabbat) openhouden. Door dit alles voelden we ons steeds meer tweederangs burgers.

Er was (en is) in Hongarije veel antisemitisme. Ik weet niet waar dat vandaan kwam. Misschien doordat joden meer gestudeerd hadden (er waren veel joodse professoren). Niet dat joden slimmer zijn, maar we moesten meer studeren omdat we een minderheid vormden. Joden zaten vaak ook in de handel. Verder keken niet-joden soms wat vreemd tegen joden aan, doordat we op zondag niet naar het café gingen, maar naar de joodse school. Dat antisemitisme was voor mij iets normaals; ik wist dat anderen joden haatten. Soms pestten niet-joodse jongens ons door onze boterhammen weg te nemen. Of ze scholden ons uit of sloegen ons. Toen ik zo’n tien jaar oud was, deelde op straat een man vlees uit van een niet-joodse slagerij. Opeens duwde hij een stuk varkensvlees in mijn mond. Ik spuugde het uit en liep huilend naar huis. Moeder zei toen dat ik mijn mond moest spoelen en het moest vergeten. Ook zag ik soms op huizen graffiti staan: ‘Joden naar Palestina’. Mijn ouders zeiden soms dat we misschien naar Palestina zouden gaan, al was dat niet echt serieus. Zelf zou ik het echter prima vinden, want dan hoefde ik geen soldaat te zijn. Mijn ooms waren al naar Palestina verhuisd; soms schreven ze dat het leven daar moeilijk was en er gevechten waren met Arabieren. Ons gezin bleef echter in Hongarije, want mijn vader was niet zo zionistisch.

We hadden overigens weinig contact met andere groepen, zoals de etnische Duitsers (de ‘Schwaben’), die soms de Duitse vlag uithingen. Maar de solidariteit onder de joden was goed. We zaten in hetzelfde schuitje, omdat we vervolgd werden. Maar we hadden ook niet-joodse vrienden en er waren in onze omgeving ook niet-joodse winkels. Verder bleef de synagoge tot maart 1944 (en ook nog daarna) gewoon functioneren.”

Duitse inval in 1944

Omdat het radionieuws vooral de Duitse kant belichtte, luisterden ze thuis vaak naar de BBC voor een objectiever beeld van wat er in Europa gebeurde. Zeker toen in 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Daardoor wisten ze van de anti-joodse en racistische uitspraken van Hitler en van de jodenvervolgingen in Duitsland, Tsjechoslowakije en Polen. Bernat had als kind veel interesse in de oorlog. Maar in Hongarije werd dat in het begin nog niet zo goed gevoeld. “We wisten ook nog niet veel, want we hadden niet net als nu een wereld met televisie en internet. Bovendien stond in de krant niet het echte nieuws.”

President Horthy koos in 1944 de kant van de geallieerden, ook omdat hij niet wilde dat de 800.000 joden in Hongarije gedeporteerd werden. Daarop viel op 19 maart 1944 Duitsland Hongarije binnen. “We zagen de Duitsers binnenkomen en waren bang, want we hadden de redes van Hitler gehoord. Ook hoorden we al in 1942 van joodse mensen uit Slowakije wat er gebeurde in Slowakije en Polen, al geloofden we dat toen nog niet echt. We dachten: ons zal niets gebeuren, want we zijn goede Hongaren en hebben niets verkeerds gedaan. We konden ook nergens heen, want bijna heel Europa was bezet. En wie wilde de joden toelaten? Vanaf toen moesten we een ster dragen en begonnen de Hongaarse anti-joodse wetten. De Duitsers gingen samenwerken met de Hongaarse politie en gendarmes. Die gendarmes waren afkomstig uit de dorpen, in tegenstelling tot de politie, die uit onze stad kwam en de joden beter kende.”

Vervolging en deportatie

Na de Duitse invasie werden de joodse mannen tussen 18 en 45 jaar opgeroepen om te dienen in het Hongaarse leger. “Joden kregen echter geen wapen, maar moesten werk doen. De Duitsers dachten dat zo de deportatie van vrouwen makkelijker zou gaan. Ook de vader van Bernat en zijn oudste broer werden opgeroepen voor het leger. Toen ze afscheid namen, dachten ze echter dat over een paar weken de oorlog voorbij zou zijn en ze elkaar dan weer terug zouden zien.

De joden moesten gaan wonen in een getto in Nové Zámky. Wij moesten ons huis verlaten en mochten alleen 25 kilo aan bezittingen meenemen (zo nam Bernat zijn postzegelverzameling mee). We gingen wonen op een kamer bij kennissen; daar zaten we met 15 mensen bij elkaar. Ik zat daar met mijn moeder en drie oudere zussen, en mijn jongere broer. We wisten niet wat er zou gebeuren, maar de Joodse Raad stelde ons gerust: misschien moesten we weg uit de stad, maar we zouden onze familieleden terugzien. De vrouwen zouden daar kunnen koken en de kinderen zouden misschien weer naar school gaan. Twee weken later werden we door Hongaarse gendarmes gewekt; we moesten onze bezittingen meenemen en werden naar een tegelfabriek gebracht. Dat was een groot terrein aan de rand van de stad, omringd door draad, waar ook treinen stopten. We dachten er niet veel na. De Joodse Raad stelde ons ook gerust: de oorlog zou niet lang meer duren, want de invasie in Normandië was al begonnen. Zelf vond ik het ook wel interessant: het was gedaan met het normale leven en straks zou ons nieuwe leven beginnen. Het zou wel niet zo aangenaam zijn, maar we voelden nog geen doodsangst.

Op zondag 12 juli kwam een lange trein binnen. De namen van de helft van de inzittenden werd opgelezen; die werden de wagons binnengeduwd. Het was een chaos, omdat de families bij elkaar wilden blijven. Ook werd niet verteld waar ze heen gingen. Op woensdag kwam er opnieuw een trein, en ditmaal werden ook onze namen opgenoemd. We werden wagons ingeduwd. Daar zaten we als sardines op elkaar; verschrikkelijk. In de wagon zaten ook oudere en zwakkere mensen en kinderen. Toen na een paar uur de trein vertrok, bleef nog een kleine kier van een paar centimeter open bij de wagondeur. Ik bleef vlakbij die kier zitten, want ik ben heel nieuwsgierig. Zo kon ik zien waar we heen gingen en zag ik de namen van stations, zoals Miskolc. Ook zag ik wat er buiten gebeurde, zoals boeren die werkten op de velden. Het ene moment dacht ik: we gaan op schoolreis. Maar dan weer hoorde ik de ouderen klagen. Niemand vertelde ons ook hoelang het nog zou duren en waar we heen gingen. Gelukkig hadden we nog wat eten bij ons, zoals sandwiches en appels.

Na acht uur stopte de trein en de deuren gingen open. Daar stonden Hongaarse gendarmes en SS-mensen, die in een andere wagon waren meegereisd. Bij het vertrek waren vier emmers uitgedeeld, waarvan twee lege (als toilet) en twee met water. Die eerste emmers werden door twee mensen leeggemaakt en uitgewassen; ook brachten ze twee emmers met drinkwater naar binnen. Daarna gingen we weer verder. Acht uur later weer een stop met hetzelfde ritueel. Zo waren we drie dagen en drie nachten onderweg. De mensen werden steeds zenuwachtiger en vroegen zich af: wat gaat er met ons gebeuren? De gelovige joden begonnen te bidden, maar niet-gelovigen vroegen hen: ‘waar is God? Waarom laat hij zoiets toe?’ Daar was de hele tijd discussie over. Toen werd het vrijdagavond en begon de sabbat. Daarbij begonnen de mannen de sabbatgebeden uit te spreken. Tijdens dat gebed vergaten we even waar ze zaten. Ook werden sabbatsliederen gezongen.”

Aankomst in Auschwitz en selectie

“Rond drie uur ‘s nachts stopte de trein abrupt. Ik keek door de kier naar buiten en zag een schoorsteen waar vuur uit kwam. Ook roken we verbrand vlees en hoorden we joodse gebeden, zoals ‘O Israël’. Als een jood in gevaar is, of het gevoel heeft dat hij gaat sterven, spreekt hij dat gebed uit. Daardoor besefte ik dat wij misschien ook gingen sterven. Om vier uur ‘s nachts gingen ineens de deuren open en zagen we gevangenen met gestreepte kleding, mooi geklede officieren met handschoenen en soldaten met honden en bajonetten. We hoorden bevelen in het Duits, Hongaars en Jiddisch dat we snel naar buiten moesten. Alle spullen moesten we uitladen.

Toen we moesten uitstappen, zag ik om me heen prikkeldraad en SS-soldaten. Omdat het juli was, was het al heel vroeg licht. Bij aankomst in het kamp was ik nog samen met mijn moeder, mijn drie zussen en mijn broer. Iedereen moest in rijen van vijf gaan staan, ongeveer een meter van elkaar af. Mijn moeder probeerde voortdurend de kinderen bij elkaar te houden. Maar we konden niet steeds elkaars hand vasthouden met soldaten om je heen.

Een arts zorgde voor de selectie, samen met een officier en enkele SS’ers. Normaal was de arts Mengele, maar nu was het een vervanger, dokter König. De arts vroeg meestal hoe oud je was of wat je beroep was. Soms moest je je handen laten zien. Een van mijn zussen hield de hand vast van mijn kleine broer Emil. Dokter König vroeg aan mijn zus Esther: ‘Is dat uw kind?’ Toen zei mijn moeder: ‘Nee, hij is mijn zoon.’ Mijn broer ging toen naar rechts en mijn moeder en zussen gingen naar links. Toen vroeg de dokter aan mij hoe oud ik was. Ik was wat bleek en angstig en had een bril. Kort tevoren, bij aankomst van de trein, had een gevangene tegen mij gezegd dat ik moest zeggen dat ik 18 was. Ik kon dat toen niet vatten, maar dacht: hij zal er vast een bedoeling mee hebben. Bijna automatisch zei ik toen tegen de arts dat ik 16 was, want ik was klein en zag er zeker nog niet uit als iemand van 18. Ik moest toen naar links, samen met zo’n 200 mannen. Trots zei ik tegen mijn zussen Elsa en Esther dat ik met de mannen mee mocht. Mijn moeder en mijn kleine broer heb ik nooit meer teruggezien. Van mijn zus (die het kamp overleefde) hoorde ik later dat ze dachten dat we elkaar die avond weer zouden terugzien. Mijn groep met 200 mannen (waaronder zo’n 40 jongens van ongeveer 17 jaar) werd het kamp ingeleid; op dat moment begon mijn leven in het concentratiekamp.”

Verblijf in Auschwitz

“Het kamp was verdeeld in A, B, C en D. tussen C en D liep een weg naar de douches. Achter een elektrische draad bedelden Hongaarse meisjes van 15-17 jaar met kaalgeschoren hoofden en met nachthemden om brood. Maar een SS’er dreigde ons dood te schieten als we dat gaven. Bij de douches zagen we naakte lichamen die buiten verbrand werden. Later bleken er die dag al zes transporten te zijn geweest; alle crematoria waren vol. Ik was geschokt, want ik had nog nooit een dode gezien en dacht: wat gebeurt er met ons? Maar iemand zei: ‘Stil maar; het komt wel in orde’.

Toen we langs die lichamen liepen, hoorde ik de woorden van het Ne’ila. Dat is een serieus gebed om vergeving op de Jom Kippoer, dat de dag afsluit voor we gaan eten. Het kan ook slaan op het einde van ons leven, of van de wereld. Op dat moment begreep ik: dit is het slot van ons leven, het eind van alles. Daarmee gaf de dood misschien een teken.

We kwamen in een kamer met andere gevangenen en moesten ons uitkleden. Alleen de riem en de schoenen mochten we aanhouden. Daarna gingen we onder de douche. Iemand riep angstig ‘Gas!’, want we hadden gehoord over vergassingen, maar er kwam koud water naar beneden. Vervolgens stuurden de kapo’s ons naar buiten. Ze wierpen ons een gestreepte broek toe, en ook een hemd, jacquet en muts.

We werden toen het kamp binnengebracht, waar ongeveer 36 barakken waren. We zaten in de zigeunerbarak met Duitse Sinti en Roma. Daar kwam een Hongaarse man binnen, de barakoverste. Hij zei: ‘Dit is een vernietigingskamp: Auschwitz-Birkenau. Die vier schoorstenen zijn crematoria. Die staan naast de gaskamers, waar joden (jullie ouders, grootouders en kinderen) worden vergast. De enige manier om nog naar buiten te komen is door de schoorsteen of (als je geluk hebt) in een van de 39 werkkampen rond Auschwitz. Daar gaan jullie werken als jullie sterk genoeg zijn; anders zullen jullie sterven van honger of ziekte.’ Ik was in shock; ik kon het niet bevatten.”

Quarantaineblok

“Bij binnenkomst in Auschwitz-Birkenau ging je ofwel meteen naar de gaskamers, ofwel je werd geselecteerd: om te schrijven, als timmerman of als Sonderkommando om de lichamen te verbranden. Wie kon werken, werd naar een van de 39 werkkampen gestuurd en kreeg daar ook geld voor. Ze brachten onze groep naar kamp E, waar ik in een barak kwam met 500 à 600 jongeren met kaalgeschoren hoofd en kampkleding. Plots kwam er een jongen op me af; het bleek Samuel te zijn, mijn beste vriend.

Samuel: vriend in Auschwitz

Hij was echt mijn redding; in het kamp heb ik later niet meer een vriend gehad zoals hij. Ik kon met hem over al mijn angsten vertellen, en hij over die van hem. Ook stelden we elkaar gerust als een van ons de moraal verloor. Wel wist ik al vanaf het begin dat een van ons zou sterven. Hij is nog een tijdlang bij mij geweest, tot hij op een dag weg was. Ook kwamen er nog een paar vrienden van school bij, die vroegen wat er met hun transport was gebeurd.

We sliepen elke dag van acht uur ‘s avonds tot een uur of vijf ‘s morgens. ‘s Morgens kregen we koffie (die smaakte naar bleekwater), ‘s middags soep en ‘s avonds een sneetje brood. We hadden geen bedden, maar sliepen op de betonnen vloer, waar elke avond een houten plaats op werd gelegd. Sommigen hadden geen plek om te liggen, maar moesten langs de muur zitten. Het toilet bestond uit 2 à 3 vaten, die ‘s nachts helemaal vol zaten.

In onze barak hoefden we niet te werken. Later hoorde ik dat er in die tijd zoveel transporten waren (er kwamen dagelijks wel 10.000 mensen binnen) dat er niet genoeg plaats was in de gaskamers, maar ook niet in de werkkampen. Daarom werd onze leeftijdsgroep gebruikt als een soort reserve. Zo zaten we vier maanden lang in een quarantaineblok; we mochten ook niet in de rest van het kamp komen. Om de paar dagen kwam Mengele ons controleren; mensen die ziek of verzwakt waren, liet hij opschrijven. Ook werden we elke ochtend en avond geteld; ook werd dan geteld hoeveel personen er overleden waren. Daarvoor moesten we urenlang in de rij staan in rijen van vijf; dat was afschuwelijk. We probeerden elkaar moreel te steunen.”

Honger

“In het kamp was de honger onze grootste vijand. Het eten dat ik bij me had, gaf ik de eerste dagen aan de vrienden die er al langer zaten. En als we terug naar de barak gingen, hadden we altijd honger. Een stuk brood was een kapitaal. Net als bij een arme man: als hij nog wat geld in zijn zakken heeft, voelt hij zich beter.(Vandaar ook dat het boek met mijn kampherinneringen de titel kreeg ‘Bewaar altijd een stukje brood’.) Als je honger hebt en je eet snel je stuk brood op, heb je na een paar minuten niets meer. Daarom bewaarden anderen nog wat in hun zakken. Maar dat was gevaarlijk, want iemand kon dat stuk brood stelen als je sliep. De honger was zo groot, dat zelfs broers dat bij elkaar deden. Zelf at ik altijd de helft van mijn brood op en stak de andere helft in mijn zakken. In Auschwitz is echter nooit iets van me gestolen; wel later in een ander kamp.

Denken aan eten

Omdat we in Auschwitz niet veel hoefden te werken, spraken we de hele dag over eten. Dan vertelden we wat we thuis aten en dat we soms nog wat op ons bord lieten liggen, omdat we niet wisten wat er nog zou komen. Ook aten we soms ‘theoretisch’, waarbij iemand vertelde wat zijn moeder had klaargemaakt. Dat heeft mij veel geholpen.”

Reddende engel

“De Sinti en Roma in onze zigeunerbarak keken neer op de joden en zeiden dat we naar de gaskamers gingen. In de nacht van 2 op 3 augustus 1944 werden de zigeuners echter zelf naar de gaskamers gebracht. Toen Samuel en ik de lege barak inliepen, vonden we vaten met mosterd; daar heb ik veel van gegeten. Daarna moest ik drinken, maar door het vuile water kreeg ik buikloop. Ik viel flauw en werd naar de ziekenbarak gebracht. Daar zei iemand dat hij gehoord had dat ik uit Nové Zámky kwam en vroeg naar mijn naam. Het bleek apotheker Lehmann te zijn, die verre familie was en mijn moeder kende.

Redding door Lehmann

Zelf had hij privileges, omdat hij werkte voor de hoofdarts professor Epstein, bij wie Mengele nog heeft gestudeerd. (Epstein moest Mengele assisteren en was ook bij alle selecties.) Lehmann zei: ‘Als dokter Mengele komt controleren, maakt u weinig kans. Want u bent zwak en hebt buikloop. Ik zal proberen u te redden. Als hij komt, moet u zorgen dat u niet in bed ligt, maar aan het poetsen bent.’ Zo deed ik; daardoor merkte Mengele mij niet op. Anders had hij me naar de gaskamer gestuurd. Lehmann heeft dus mijn leven gered, al besefte ik dat op dat moment nog niet echt. Maar zo gaat het soms in het leven. Spijtig genoeg heeft Lehmann het zelf niet overleefd.

Op een dag verzamelde Mengele een groep van 2000 jongens. Omdat de gaskamers nu leeg waren, selecteerde hij de zwakkeren, de zieken en de kleineren om te worden vergast. Ik werd ingedeeld bij een groep met 400 kleine jongens, die een paar dagen later vergast zou worden. We werden een lege barak binnengebracht, in afwachting van onze dood. Het was de avond voor Jom Kippoer; voor joden een heilige dag waarop we 24 uur moeten vasten. Opeens kwam Lehmann binnen en riep (alsof hij me kwam straffen): “Waar is Nasch?” Ik was eerst bang dat ze me zouden doodschieten, maar hij zei dat hij probeerde om me eruit te halen. De volgende ochtend ging aan de achterkant de deur open en met een paar andere kinderen ging ik naar buiten. Daar zagen we Lehmann. Hij vroeg ons om te wachten op dokter Mengele; die zou ons onderzoeken om te zien of we inderdaad de sterkeren waren. Er kwam echter niemand en ‘s avond liep ik naar de ziekenbarak. Daar zag ik Lehmann, die zei dat hij me wilde helpen omdat hij familie was en medelijden met me had. Hij zou proberen me onder te brengen bij een transport naar Gleiwitz (een werkkamp dat onder Auschwitz viel). Zonder Lehmann had ik vandaag niet hier gezeten. Dan was ik samen met die 400 jongens uit de barak naar de gaskamer gegaan. Zo ben ik meermaals als door een mirakel in leven gebleven. Helaas heeft Lehmann het zelf niet overleefd; hij is bij de evacuatie om het leven gekomen.”

Levenskracht

“In de ziekenbarak probeerde ik vol te houden en sterk te zijn. Ik weet niet hoe me dat gelukt is, maar ik wilde leven. Al heeft dat niet bij iedereen geholpen, terwijl die sterker of slimmer waren dan ik. Ik kan dat niet verklaren; dat is geluk.

Volhouden in ziekenbarak

Toen ik weer op krachten was gekomen, werd ik teruggestuurd naar mijn barak. Mijn vrienden waren daar echter niet meer; ze waren meegevoerd voor experimenten of naar de gaskamers gebracht. Onder hen mijn vriend Samuel. Ik betreurde het toen hij weg was, maar ik wilde wel verder leven.

Opgeven?

Ik had het nog niet opgegeven, al waren er wel degelijk momenten dat ik het dreigde op te geven. Maar ik durfde het niet aan om mezelf (zoals sommigen deden) te elektrocuteren aan de elektrische draad rond het kamp, want ik was bang om te sterven. Bovendien had ik nog een beetje levenskracht en bleef ik hopen op een wonder. Ik wist dat ik zou sterven, maar als ik verder kon leven, zou ik dat zeker willen doen. In het kamp was ik weliswaar bang voor de dood, maar was eraan gewend doordat ik al zo veel dode lichamen had gezien in Auschwitz. Het was destijds voor mij iets natuurlijks; ik wist dat wij ook dood moesten gaan. Ik heb tegenwoordig meer angst voor de dood dan toen; bij een dode kat voel ik me al slecht.

In de ziekenbarak ontmoette ik iemand die voor de oorlog een ghazan (voorzanger) was.

Ghazan in de ziekenbarak

Ten tijde van Rosj Hasjana (joods Nieuwjaar) heeft hij toen het joodse gebed van die feestdag gezongen. Dat ontroerde me zeer, omdat mijn vader (die ook voorzanger was) datzelfde gebed ook zong. Ook zong hij met overgave een lied over wie dit jaar zal leven en wie zal sterven. Tijdens datzelfde Rosj Hosjana hoorde ik hoe in een andere barak een sjofar werd geblazen. De Duitsers hoorden het waarschijnlijk ook, want er werd geschoten in de richting van waar de stem vandaan kwam.

Overigens heb ik zelf in Auschwitz-Birkenau niet veel persoonlijk kunnen bidden.

Bidden in Auschwitz

Wel werd in onze barak ooit een tefilin (gebedsriem), een thorarol en een gebedskandelaar binnengesmokkeld. Dat gebeurde via het zogeheten Kanada-Kommando, dat alle bezittingen moest sorteren, zoals heilige joodse voorwerpen. Ze smokkelden die van de ene barak naar de andere, omdat veel mensen nog religieuze activiteiten probeerden te doen.

Soms wordt me gevraagd ‘Waar was God in Auschwitz?’, maar die vraag kan ik niet beantwoorden. Ik weet niet wat de wegen van God zijn, want ik krijg er toch geen antwoord op. Vóór Auschwitz is ook veel gebeurd met het joodse volk: er waren pogroms, de Spaanse Inquisitie en de vernietiging van de eerste en tweede joodse tempel. Ik heb God ook nooit ter verantwoording geroepen. Zo is het leven nu eenmaal, en moeten het accepteren zoals het gaat.”

Mishandeling

“Om niet op te vallen, deed ik altijd wat de kampbewakers en de kapo’s zeiden en werkte ik nooit tegen. En als er vrijwilligers gevraagd werden, was ik nooit op de voorgrond. Omdat ik niet sterk was en vrij klein, werd ik ook nooit uitgekozen om bijvoorbeeld eten te brengen. Maar het was niet zozeer slimheid, maar geluk. Gelukkig ben ik nooit echt mishandeld. Wel ben ik een keer betrapt door een SS’er toen ik met een paar vrienden naar een andere barak was gegaan, waar we een oude kennis zouden helpen met eten verdelen. Ik was bang dat hij ons dood zou schieten, maar hij gaf ons alleen klappen; dat was wel heel pijnlijk. En in Flossenbürg (waar ik op het eind nog even gezeten heb) stond ik bij een appèl niet goed recht en kreeg ik van een blokoverste een klap op mijn hoofd met een gummistok. Toen zag ik echt sterretjes. Verder ben ik gelukkig nooit seksueel lastig gevallen. Ik was al veertien en uitgehongerd; ik was niet meer interessant. Wel waren er jonge jongens, ‘Piepel’ genaamd, die door barakoversten werden gebruikt voor seksuele bedoelingen, ook omdat er geen vrouwen in de buurt waren. Die jongens kregen dan wel meer eten.”

Naar Gleiwitz

Zoals gezegd ging Dov Nasch dankzij Lehmann op transport naar Gleiwitz, zo’n 45 kilometer van Auschwitz. “Wel was de selectie voor Gleiwitz nog heel spannend. Mengele onderzocht ons nog, maar ik sloop steeds naar een andere rij, zonder dat hij mij opmerkte.

Gleiwitz

Op de avond voordat ik op transport werd gezet, kreeg ik een tatoeage met mijn nummer (B10365). Ik was blij dat ik een nummer had; dan was ik iemand. Want met zo’n nummer hoorde je echt tot het kamp. Bovendien wist ik zo dat ik nog kon werken en nog in leven kon blijven.

Overleven in Gleiwitz

Toen ik uit Auschwitz wegging en onderweg burgers op straat zag, dacht ik: nu zijn we weer vrije mensen. En ik wilde dat mijn moeder, vader of broer konden zien dat ik nu vrij was. Maar in Gleiwitz zagen we toch weer SS-soldaten. Ik was bang dat ze ons zouden terugsturen naar Auschwitz, omdat we geen sterke werkmannen waren, maar jongens van een jaar of 15. Toen begon daar, in de winter 1944-1945, ons leven in het werkkamp Gleiwitz. Daar sloot ik vriendschap met een paar Nederlandse joden, die medelijden met me hadden en me hielpen. Een Hollandse jood van begin 20, Tonnie, gaf me altijd een stukje van zijn eigen brood. En in het werkkamp legde een Engelse krijgsgevangene uit medelijden altijd ergens een stukje brood voor mij neer, uit het zicht van de bewakers.

We gingen werken in een fabriek waar gas uit kolen werd gehaald en moesten onder meer helpen met cement sjouwen. Elke dag moesten we vijf kilometer lopen naar het werk. Het eten was ook niet veel, maar toch meer dan in Auschwitz-Birkenau.

In Gleiwitz beleden sommige gevangenen hun joodse geloof, maar niet openlijk. Er zaten ook rabbijnen in het kamp, waaronder de vader van de Nederlandse rabbijn Van de Kamp. De geloofsuitingen waren echter vaak zo in het geheim dat ik het niet heb gezien. De laatste maanden wist ik nog wel wat jodendom was, maar had geen mogelijkheid om het in de praktijk te brengen.”

Dodenmars naar de bevrijding

“Het was heel koud en in de verte hoorden we kanonnen, want het front kwam dichterbij: de Russen waren in aantocht. Omdat de Duitsers niet wilden niet dat we in hun handen vielen, gingen we in januari 1945 in de winterkou op transport naar een ander kamp. Eerst met bussen, later in open wagons. Daar ontmoette ik mijn nieuwe vriend Bennie, die een hele tijd bij mij is geweest. Maar hij stierf, net als veel anderen, in die wagons door de kou. Onderweg gooiden mensen soms brood of fruit naar binnen; dan sprongen we er allemaal op af. We kwamen eerst aan in Berlijn-Oranienburg, maar omdat de Engelsen en Amerikanen naderden, gingen we door naar Flossenbürg. Dat was een verschrikkelijk kamp, met veel luizen. Daar zaten ook veel niet-joodse gevangenen, zoals Russische krijgsgevangenen en Belgische verzetsstrijders. Op dat moment wisten we dat we misschien bevrijd zouden worden, maar geloofden het niet echt. Daarom probeerde ik me sterk te houden en bad tot God: ‘Blijf mij nabij; verlaat mij niet’.

Vervolgens wilden de Duitsers ons naar Dachau brengen. Toen begon een dodenmars: eerst met de trein, later te voet omdat de locomotieven kapot waren geschoten. Velen van ons konden niet verder en werden onderweg doodgeschoten. We probeerden elkaar te helpen. Onderweg sliepen we in boerenschuren. In de ochtend van 23 april werden we naar een helling geleid bij het dorpje Stamsried. Daar verdwenen de Duitse bewakers en zagen we tanks naderen van het derde Amerikaanse leger van generaal Patton; toen waren we bevrijd. De Amerikanen gaven ons alles wat we ontbeerden. Voor sommigen van ons was dat niet zo goed, omdat velen een gekrompen maag hadden. Daardoor zijn sommigen van ons na de bevrijding nog overleden. Zelf was ik weliswaar zwak, maar ik was nog jong. Wel heb ik twee weken buikloop gehad.”

Leven na de oorlog

Schuldgevoel

“Hoewel we bevrijd waren, hadden we nog geen toekomst en leefden we van dag tot dag. Ook wisten we nog niet wat er met onze familie was gebeurd. En in Duitsland was het nog een chaos. Maar gelukkig hadden we eten, en we werden goed behandeld door het Amerikaanse leger en de Duitse bevolking. Omdat onbekend was of mijn familie nog leefde, bleef ik nog een paar weken in dat dorp Stamsried. Daarna werd ik naar een kindertehuis gebracht in een klooster bij München. De nonnen zorgden daar voor ons. Ook kreeg ik les, maar ik kon me niet goed concentreren. Daarna werd ik door de VN ondergebracht bij een joods kindertehuis in Engeland.

Ik heb wel een schuldgevoel: waarom heb ik overleefd en mijn vrienden niet? In het begin was het heel moeilijk om daarover te spreken, maar nu gaat dat makkelijker. Maar ik vind: omdat ik in leven ben gebleven, moet ik het doorgeven aan de volgende generatie. De mensen moeten weten wat er is gebeurd, vooral omdat veel mensen niet zijn teruggekeerd. Ook omdat er mensen zijn die zeggen dat het helemaal niet gebeurd is.”

Lot van de familie

“Pas een half jaar na de bevrijding vernam ik van mijn familie en kwam langzaam alles terug. Van een oom hoorde ik dat mijn oudere broer Itzhak en mijn zussen weer terug waren in mijn geboorteplaats. Dat gaf me vreugde. Mijn zussen hadden gewerkt in een munitiefabriek in een concentratiekamp en werden in januari 1945 bevrijd door de Russen. Mijn broer was gedeserteerd bij het Hongaarse leger en kreeg vervalste Franse katholieke papieren. Ook schreven ze dat mijn moeder en mijn jongere broer Emil de eerste dag in Auschwitz zijn vergast. Mijn vader is naar Mauthausen gebracht (samen met andere mensen uit onze stad), waar hij twee weken voor de bevrijding van de honger is gestorven. Zo begon ik te wennen aan het grote verdriet. Ik had het allemaal wel verondersteld, maar nu wist ik zeker wat er was gebeurd.

Het was moeilijk om als vijftienjarige te horen dat je ouders en broer zijn gestorven. Mijn broer en zussen wilden niet in Tsjechoslowakije blijven, want de Russen bleken ook niet zo joodsgezind. Ook was de relatie met de niet-joodse bewoners van onze stad slecht; die dachten dat we dood waren en hadden al onze spullen weggenomen. Daarom wilden ze naar Palestina.”

Nieuw leven in Israël en België

“Een oom van mij, die had gediend bij de Joodse Brigade in het Engelse leger, regelde papieren dat ik naar mijn familie in Palestina kon gaan. Daar ben ik toen een nieuw leven begonnen. Dat was niet zo makkelijk, omdat ze soms niet geloofden wat we hadden meegemaakt of niet snapten dat we het allemaal hadden toegelaten. Omdat een studie niet lukte vanwege problemen met concentratie, ging ik bij het Israëlische leger. Daar diende ik 2,5 jaar bij de artillerie en een jaar bij de reservisten. Ik ben blij dat ik dat gedaan heb: het gaf me moed en ik voelde dat we iemand waren. Ook merkte ik dat het Israëlische leger democratisch was. Ik voelde me daar goed.

Later wilde ik een vak gaan leren, maar kon me niet goed concentreren en ging werken bij een diamantbewerkingsbedrijf. Daar ontving mijn baas in 1961 een nichtje van hem uit België, die een reis naar Israël maakte. We maakten kennis met elkaar en korte tijd later ging ik naar België, waar ik kennismaakte met haar vader en mee ging helpen in de diamantslijperij. Haar ouders waren in de oorlog ondergedoken geweest in Frankrijk, en haar vader was gewond geraakt. In 1962 zijn we getrouwd in Antwerpen. Ik zou eerst maar een jaar in België blijven, maar ben er een nieuw leven begonnen: ik maakte er vrienden en leerde de taal. Maar het was in België heel moeilijk voor joden; ze kregen niet al hun bezittingen terug en moesten zelfs belasting betalen over de oorlogsjaren.

We kregen twee kinderen: in 1963 mijn dochter Judith en in 1966 mijn zoon Ronnie. Na alles wat ik had meegemaakt, was het een heel goede ervaring om kinderen te krijgen. Judith woont nu in Amerika; ze is getrouwd en heeft vijf kinderen. Ronnie woont nu in Israël, is getrouwd en heeft een dochter. Hij werkt bij medicijnfabrikant Teva en zijn vrouw is directrice van Beth Juliana in Herzliya, waar veel overlevenden van de oorlog wonen. Ik leef nu het joodse leven en we hebben het hier (ondanks wat antisemitisme) niet slecht. Ik ben blij dat ik levend uit de Shoah ben teruggekomen. Ook ben ik blij met de joodse vrouw met wie ik getrouwd ben en met wie ik een familie heb opgebouwd, zodat het kan doorgaan. Het geeft me kracht dat ik alles heb overleefd en nu kinderen en kleinkinderen heb – en binnenkort een achterkleinkind.”

Vertellen over de oorlog

“Spijtig genoeg ben ik nog veel bezig met de oorlog; ik heb er vaak nachtmerries over. Dat geeft me de moed om te willen weten wat er is gebeurd en waarom. Ik lees veel en bekijk veel films over de oorlog. Ik probeer nu te vertellen wat er in de oorlog is gebeurd, omdat er nog steeds mensen zijn die menen dat het een mythe is, dat het nooit gebeurd is. Ik ben nu al op meer dan honderd scholen in Vlaanderen geweest. Al is het niet makkelijk, omdat Nederlands niet mijn moedertaal is. Maar ik vind dat de jeugd in de hele wereld moet weten wat er is gebeurd, want ik hoop dat zoiets nooit meer gebeurt. Het geeft me een tevreden gevoel als ik kan vertellen wat er is gebeurd, om te voorkomen dat zoiets nóg een keer gebeurt. En door erover te vertellen, word ik een beetje van mijn angsten bevrijd. Maar zolang ik kan, wil ik iets brengen voor de mensheid en de familie.

Overigens geloof ik dat er in het leven ook echt wonderen gebeuren. Ben Goerion zei ooit: “Wie niet in wonderen gelooft, is geen realist.” Het beste bewijs daarvoor is: ik ben als 14-jarige jongen als enige van mijn leeftijd teruggekeerd in mijn stad, terwijl al mijn vrienden in Auschwitz vermoord zijn. Is dat geen wonder? Daarom zie ik het als mijn plicht om te vertellen wat er is gebeurd met mijn vrienden, mijn familie en zes miljoen andere joden. Net als andere groepen die in de kampen zijn vermoord, zoals zigeuners en homo’s.

Geloof in de goede kant van de mens

Ik geloof in de goede kant van de mensheid, al lukt het niet altijd om het goede te doen. Er zijn heel goede mensen, al zijn er helaas ook minder goede. Zelf hoop ik dat de mensheid eens inziet dat haat en onverdraagzaamheid ons niets brengt.

Geboren als egoïst

Volgens het joodse geloof wordt een mens geboren als egoïst: een baby wil alles hebben en is jaloers op anderen. Daarom moet je verdraagzaamheid leren. De joodse geleerde Hillel zei: ‘Je moet je naaste liefhebben zoals jezelf’. Dat vind ik heel mooi, al is het niet altijd makkelijk. Zelf probeer ik te leven in gerechtigheid en verdraagzaamheid. Mijn levensmotto: doe wat je moet doen en doe je best zonder te haten.”

Het joodse geloof

“Na de oorlog herinnerde ik me weer hoe ik ben opgevoed. Mijn ouders waren allebei religieuze joden. Mijn kinderen en ik leven nu het joodse religieuze leven als bij mijn opvoeding: modern, maar wel orthodox. Ik ben verbonden aan de orthodoxe synagoge in Antwerpen. Zelf ben ik geboren als jood, en dat voelt goed. Ik vind het joodse geloof een eerlijk geloof. Het is niet altijd aangenaam, maar ik zou nooit een niet-jood willen zijn.

Ik ervaar soms antisemitisme, maar ik denk dat dat vooral uit onwetendheid is. Kijk bijvoorbeeld wat het jodendom voor de mensheid heeft gebracht. Van de 800 Nobelprijzen waren er ongeveer 200 joden. Sommige moslims willen niet aannemen wat de joden hebben gedaan voor de mensheid, bijvoorbeeld op medisch gebied. Maar zonder die medicijnen zou driekwart van de moslims niet meer leven. Joden hebben altijd meer moeten leren, omdat ze altijd in de minderheid waren. Ook wordt vaak gezegd dat joden rijk zijn, terwijl er ook veel arme joden zijn. De mensen zoeken net als de nazi’s een zondebok, omdat ze graag willen denken dat andere mensen de oorzaak zijn van wat ze zelf slecht doen. Joden zijn niet beter, maar zeker niet slechter. Daarom hoop ik dat de jeugd leert  over verdraagzaamheid. Ze moeten niet alleen de vooroordelen geloven, maar zich ook verdiepen in andere volkeren en andere religies; in hoe de mensen zijn. Dat is mijn boodschap.”

Levensmotto
Boodschap voor de jeugd

Tekst: Stan de Laat, mei 2021, naar aanleiding van het interview door Herman Teerhöfer

“Vanaf Auschwitz voelde je je geen mens meer.” – Hanneke Smalhout-Soester

Hanneke Smalhout-Soester (1922-2019)

Hanneke Smalhout-Soester wordt op 2 oktober 1922 geboren in de Joodse buurt in Amsterdam. Haar ouders, Sophie Rogette en Henoch Soester, hadden in de oude Weesperstraat een koosjere winkel waar ze boter, kaas en eieren verkochten. Het was een warm gezin met goede, eerlijke, hardwerkende ouders.

Haar man, David Smalhout, ontmoet ze als ze ongeveer 17 is. Op 16 september 1942 trouwt ze met hem, als een van de laatste, in de Hoogduitse synagoge aan het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam.

Ontsnapt uit de Hollandse Schouwburg

Op 26 mei 1943 vindt de grote centrum actie plaats in Amsterdam. Deze grote razzia vindt plaats in de oude Jodenbuurt waar ook Hanneke wordt opgepakt en naar de Hollandse Schouwburg wordt gebracht. Alleen zij en haar man worden er via de zijdeur uitgehaald mede door Walter Süskind. Haar ouders worden helaas doorgevoerd. Ze zal hen nooit meer weerzien.

Hanneke en haar man gaan na deze ontsnapping weer terug naar de winkel en hun huis aan de Weesperstraat. Op een gegeven moment moest de winkel dicht van de Duitsers en zijn Hanneke en David verhuisd naar Christiaan de Wetstraat in Amsterdam-Oost. Ze zaten daar niet ondergedoken, maar gingen de straat niet op en de boodschappen werden wel gebracht door niet-Joodse mensen. In het voorjaar van 1944 kwamen er mannen aan de deur en werden ook zij opgehaald en meegenomen naar Weteringsschans. Vanuit daar ging Hanneke met haar man naar Westerbork. Daar hebben ze allebei gewerkt. Hanneke werkte op de batterijafdeling.

Na Westerbork is Hanneke eerst nog in Theresienstadt geweest waar ze in de landbouw heeft gewerkt. Iedere 10 dagen kreeg ze ander werk. Net zoals in Westerbork was er ook in Theresienstadt toneel waar ze regelmatig heen gingen. Gelukkig konden Hanneke en David elkaar nog ontmoeten in Westerbork en Theresienstadt. Dat zou helaas snel veranderen.

Nadenken over het geloof in Theresiënstadt?

In Auschwitz

Op een gegeven moment worden eerst de mannen op transport gezet naar Auschwitz en een paar weken later de vrouwen:

Eerste indruk in Auschwitz

Vanaf toen begon het grote erge leven.  “Vanaf Auschwitz ben je geen mens meer, maar een soort machine. Je hebt geen hoofd meer om te denken.” Hanneke hoopt in Auschwitz haar man weer terug te zien, maar helaas.

Kon u elkaar tot steun zijn in Auschwitz?

Bij aankomst vindt er meteen een selectie plaats. Hanneke moest doorlopen en er werd haar meteen gefluisterd dat als ze in een rij stond dat ze dan moest zeggen dat ze gezond was. Daarna werd het haar van Hanneke afgeschoren. “Je voelt je een man met buste”:

Man met buste
Het nummer van Hanneke in Auschwitz

Ze heeft geen nummer getatoeëerd gekregen, maar een penning met haar nummer 75114. Haar transport was namelijk eigenlijk bedoeld om meteen vergast te worden. Waarom zij ook hier de dans weer is ontsprongen, is haar niet duidelijk. Mogelijk omdat zij nog jong en gezond was om te werken.

Na de selectie in Auschwitz

Op een gegeven moment tijdens een selectie heeft ze bloed moeten afstaan. Iedereen werd met dezelfde naald geprikt en al het bloed van iedereen werd in één fles gedaan. Mogelijk was dit voor een medisch experiment.

Hanneke is in Auschwitz gelukkig niet in het ‘Puppenhaus’ terecht gekomen. Dat was een vreselijke plek waar vrouwen seksueel lastig werden gevallen door de Duitsers.

Verder heeft Hanneke in Auschwitz niet veel gewerkt. “Je vocht er voor je leven.“ Er werd over muziek en lekker eten gepraat, zoals oude Leidse kaas en challe met maanzaad en witte kaas:

Ze is er ongeveer 2 maanden in Auschwitz geweest. Op een gegeven moment hoorde ze dat haar man in Auschwitz bij de zigeuners zat. Eindelijk had ze een teken van leven. Verder was het vooral volhouden en niet te veel nadenken. Afleiding zoeken in gesprekken:

Gesprekken in Auschwitz

In Auschwitz was enorm veel honger doordat mensen te weinig te eten kregen:

Lichamelijke toestand en honger

Na Auschwitz

Na Auschwitz ging ze in de zomer van 1944 op transport met 500 andere Joodse vrouwen naar Freiberg. Daar moest ze 14 uur per dag in een vliegtuigenfabriek werken. Ze is daar ongeveer 7 maanden geweest. Het was eigenlijk een porseleinfabriek in de buurt van Dresden, die was omgebouwd tot vliegtuigenfabriek. In februari 1945 heeft ze vanuit daar in verte Dresden zien branden.

Op transport naar Mauthausen

Vanuit Freiberg is Hanneke via allerlei omzwervingen in Mauthausen beland, omdat daar nog plaats was. Mauthausen was eigenlijk een mannenkamp. Tenminste als je het nog mannen kon noemen. Het was een vreselijk kamp. Ze is daar 2 of 3 weken geweest. Net voor de bevrijding:

Indruk van kamp Mauthausen

In Mauthausen heeft ze de ergste ervaring van haar leven meegemaakt. Op een dag, net voor de bevrijding,toen de kapo’s er nog waren, moest ze met een kuwel (een grote ton) eten halen onder in een steengroeve en weer legen bovenaan. Op en neer de trap op met 362 treden.

Weggelopen uit Mauthausen

Hanneke (rechts) na de bevrijding bij de grens van Oostenrijk en Zwitserland

Vanuit Mauthausen is Hanneke weggelopen met nog 1 andere vrouw en 3 mannen. Ze kwamen in Linz terecht. Daar is ze door Nederlandse postbodes die daar gevangen waren geweest, even verzorgd.  Later zijn ze door het Rode Kruis via Zwitserland naar België gebracht.

Waarom heb ik het overleefd?

In België hoorde Hanneke tot haar grote blijde verrassing dat haar man nog leefde en gerepatrieerd was naar Tilburg. David was in Graslitz bevrijd, waar hij als tolk werkte:

David had de oorlog overleefd

Hereniging bij Broeder Christofoor

Broeder Christofoor (vooraan midden) te Oudenbosch

Vanuit België is Hanneke in Oudenbosch bij broeder Christofoor terecht gekomen. Ze werd als snel verenigd met haar David in Oudenbosch. Hierna zijn ze terug naar Amsterdam gegaan. David werkte in Utrecht bij houthandel Jongeneel en ze besloten daar in de bovenwoning te gaan wonen waar net een aantal NSB’ers uit gevlucht waren.

“Weer iemand om voor te leven.”

In 1949 worden Hanneke en David trotse ouders van hun zoon Herman. Ze had weer iemand om voor te leven en ging vanaf dat moment haar leven weer een beetje opbouwen. Hanneke hoorde pas dat haar familie was omgebracht toen ze gerepatrieerd waren. Slechts één tante, die ondergedoken had gezeten, had het overleefd. Hanneke heeft hierdoor nooit ooms, tantes, oma’s of opa’s gekend.

Familie gedood

Door al haar ervaringen heeft Hanneke toch het geloof in God niet verloren. “Het kwaad zijn de mensen die antisemitisch zijn. Wat doen wij voor kwaad dat mensen ons Joden zo haten?” Ook vraagt Hanneke zich wel eens af “Waarom heb ik het wel overleefd?” Maar over haar ervaringen praten, doet ze alleen met mensen die ook in een kamp zijn geweest.

Getuigenis van David Smalhout

Haar man heeft meteen na de oorlog zijn getuigenis opgeschreven. Deze zou samen met haar penning en nog wat andere spullen uiteindelijk aan het Joods Historisch museum worden geschonken. Hanneke is op 18 maart 2019 overleden.

Boodschap voor de volgende generaties

Dit artikel is in 2021 geschreven door Loes Pellenaar op basis van het interview van Herman Teerhöfer met mevrouw Hanneke Smalhout – Soester. Het interview is afgenomen op 06 juni 2011 te Amsterdam.

Vertrek zonder keuze – Selly Waagenaar

Van onbezorgde kinderjaren naar een overlevingstocht langs 9 concentratiekampen. Het indrukwekkende verhaal van mevrouw Selly Waagenaar (25-4-1927) begint in het Amsterdam van de jaren 30. Moeder, opa en haar tante verzorgden als Joods gezin de opvoeding van Selly en haar eeneiige tweelingzus Judith. Haar vader kende ze niet. Selly ging naar een openbare lagere school. Daarop zaten kinderen met verschillende soorten geloven en achtergronden. Belangrijk, vond haar moeder. Want zo leerde Selly met iedereen omgaan en iedereen respecteren. Respect wat ze als Joods meisje niet altijd terugkreeg in die tijd.

Selly kreeg al vroeg te maken met antisemitisme. Dat is een ander woord voor discriminatie van Joden. In hun buurt Amsterdam–Noord, waar Selly tot dan toe met plezier speelde en leefde, was het gezin plots niet meer welkom. Omdat ze Joods waren. Het gezin verhuisde naar Amsterdam- Oost. Toen de oorlog enige tijd later uitbrak, nam het antisemitisme toe. Selly kwam er op een harde manier achter.

Opgepakt

Gevangen
In de Hollandse Schouwburg beleefden Selly, Judith en hun moeder de eerste twee nachten in gevangenschap. Hierna werden ze overgebracht naar concentratiekamp Vught, in Brabant.

Vught

Vanuit Vught brachten de Duitsers gevangenen naar vernietigingskampen in heel Europa. In Vught moest het drietal zwaar werk doen, zoals stenen sjouwen. Het lukte hen om met zijn drieën samen te blijven, maar altijd was er de angst om uit elkaar gerukt te worden. Om hen heen zagen zij steeds meer mede- gevangenen in grote treinen het kamp verlaten. Op een dag dreigde hun angst werkelijkheid te worden.

Bij elkaar blijven (noot: het kindertransport was in juni 1943, niet in 1944)

Moeder werd uit de groep gehaald om naar een ander kamp te gaan. Selly en Judith renden naar voren smeekten de Duitsers om het niet te doen. Tot hun eigen verbazing met succes: moeder bleef.

Philips
De tijd verstreek in kamp Vught. Het bedrijf Philips uit Eindhoven vestigde zich op het kamp met een fabriekje. Selly, Judith en moeder mochten er werken onder betere omstandigheden en aardigere  medewerkers van buiten het kamp. Bovendien zouden ze niet op transport gaan omdat ze voor Philips werkten. Philips was voor Selly tot dan toe ‘gewoon’ een bedrijf uit Eindhoven. Wat ze niet wist, is dat Philips haar leven voorgoed zou veranderen. Dat bleek voor de eerste keer, toen Selly, Judith en moeder in juli 1944 alsnog op transport moesten. De voor hen tot dan toe onbekende bestemming? Vernietigingskamp Auschwitz.

Na een dagenlange treinreis zonder voldoende eten, drinkwater en ruimte kwam de trein bij Auschwitz in Polen tot stilstand. Op het perron van het kamp kwamen duizenden gevangenen per dag aan. De treinen werden geopend, de gevangenen gescheiden (o.a. mannen bij mannen, vrouwen bij vrouwen) en velen werden direct omgebracht in gaskamers. Maar met de trein waar Selly, Judith en hun moeder in zaten was iets bijzonders aan de hand. De trein bleef urenlang ongeopend stil staan op het perron. De Duitsers zagen dat het de trein van het Philips transport was. Het zogeheten ‘Philipskommando’ uit Nederland. Goede werkers dus, wisten de Duitsers. Het bleek een redding. Ze werden niet geselecteerd voor de gaskamer, maar om te werken in de in Auschwitz gevestigde fabriek van ‘Telefunken’.

Mengele
In de Telefunken fabriek had een soort manager met een groot hakenkruis op zijn arm de leiding. Hij sprak niet met joden, alleen met Selly en Judith. Zij moesten aan de rest van de groep vertellen wat de bedoeling was. De groep van het Philipskommando dat vanuit Vught vertrok was inmiddels opgesplitst in twee groepen. Een groot deel was dus nog steeds samen. De gevangenen deelden eten en steunden elkaar. Met onder hen dus de tweeling Selly en Judith. Selly dacht dat de charme van tweeling zijn hen eerder wellicht redde. Bijvoorbeeld toen moeder in Vught op transport zou gaan en ze de Duisters met succes smeekten om het niet te doen. Maar in Auschwitz dreigde het tweeling zijn hele andere gevolgen te krijgen door de aanwezigheid van Josef Mengele. Een Duitse SS’er die medische experimenten uitvoerde met Joodse tweelingen. Vaak met de dood tot gevolg. Op een dag werden Selly en Judith apart geroepen.

Experimenten

Zieken, doden, vernedering. Ondanks het relatief korte verblijf in Auschwitz (2,5) maand was het er overleven onder mensonterende omstandigheden. Naast het werk in de Telefunken fabriek moesten de gevangenen van het Philipskommando stenen sjouwen, wc’s schrobben en ketels met eten dragen. Bovendien zaten Selly, Judith en hun moeder in Auschwitz in de periode van de gruwelijke ‘dodenmarsen’. Deze vonden plaats tussen herfst 1944 en april 1945. De Duisters raakten in deze periode in paniek omdat het Sovjet- leger oprukte. Ze wilden de sporen van de kampen uitwissen en gevangenen verplaatsen. Dat deden zij op een gruwelijke manier.

Gevaar

Onbekende treinen
Een stuk vuil, zo voelde Selly zich als gevangene. Een nummer. Letterlijk: want de gevangenen droegen ieder een getatoeëerd persoonsnummer. Ook Selly: nummer 81812. Selly, Judith en hun moeder waren weliswaar nog steeds met zijn drieën en hadden steun aan elkaar. Maar het samenzijn was ook moeilijk. Lichamelijk en geestelijk. Alle drie verzwakt, met een zieke moeder om voor te zorgen. Selly zegt hierover: ‘Ik denk dat Judith en ik een sterk karakter hebben. Dat we onszelf er daardoor doorheen sleepten. Als je voet een stukje te ver naar links of rechts stond kreeg je klappen van de Duisters. Het was verschrikkelijk. Op een gegeven moment had je gewoon geen gedachten meer. Het was alleen maar overleven in het kamp’. Aan de overlevingstocht leek geen einde te komen. Inmiddels waren Selly, Judith en hun moeder in een ander kamp terecht gekomen. Op een ochtend verschenen daar plots een aantal onbekende treinen.

Bevrijding

Na de oorlog
De oorlog was voorbij, maar de herinneringen waren nog vers. Een zichtbare herinnering was de tatoeage met het persoonsnummer. Na de oorlog liet Selly het weghalen bij een chirurg. Ook Judith, die na langer herstel in Stockholm ook weer terug was in Nederland, liet het getatoeëerde nummer verwijderen. De laatste zichtbare herinnering weg, op naar de toekomst. Een toekomst waarin het leven werd opgepakt, maar waarin ook geliefden werden gemist. Veel familieleden, vrienden en bekenden overleefden de oorlog niet. Het jongste overleden familielid was 6 jaar oud.

Over de inbreng van Philips tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn de meningen verdeeld. Droegen ze met hun werk in de kampen bij aan een fout regime of redde ze juist mensen? Voor Selly was het duidelijk, woorden die ze letterlijk uitsprak: ‘Philips heeft mijn leven gered’. Erkenning die bijval kreeg vanuit de joodse gemeenschap. Frits Philips kreeg na de oorlog de Yad Vashem onderscheiding. Dit is een eretitel die door Israël wordt gegeven aan mensen die Joden in de tweede wereldoorlog hielpen onderduiken, ontkomen en overleven.

Na de oorlog leerde Selly haar man Bert kennen met wie tot zijn dood 45 jaar lang getrouwd zou zijn. Ze kregen een zoon. Ben hielp Selly het leven zin geven na de oorlog. Ook Judith trouwde en kreeg twee kinderen. Judith was dol op Bert en dit was wederzijds. Bert zei voor de grap wel eens dat hij met twee vrouwen getrouwd was. Ook na de oorlog was de tweeling onafscheidelijk. Ze zorgden voor elkaar en voor moeder, die na de oorlog met de ziekte van Parkinson in een verpleeghuis was opgenomen.

Terugkeer
Zeker, er waren mooie momenten na de oorlog. Maar de gedachten aan de oorlog namen niet af. ‘Het rugzakje van de oorlog hangt om mijn rug totdat ik mijn ogen sluit’, aldus Selly:

Gedachten aan de oorlog

Lang wilde Selly haar eigen zoon niet vertellen wat ze allemaal meemaakte in de kampen. Om hem te beschermen. Totdat het boek Spiegelmoeders verscheen, waar het verhaal van Selly en Judith in staat. Een terugkeer naar de oorlog. Eén keer keerde Sally zelf terug naar een plek waar ze gevangen zat: Kamp Vught. Daar sprak ze voor genodigden, samen met Judith. De 700 aanwezigen gaven hen een staande ovatie, iets wat volgens de directeur van Kamp Vught nooit eerder was gebeurd. Naar Auschwitz keerde ze bewust nooit terug. Haar kleindochter is er wel geweest. Het is er nu heel anders. ‘Wij stapten door de modder en langs stervende mensen. Nu is het allemaal grasveld’, aldus Selly.

Samen alles overleefd en beleefd
Selly: ‘Het ouder worden gaat als vanzelf. Ik geniet van de leuke dingen en leef voor mijn en Judith’s kinderen en kleinkinderen. Ze zijn heel goed voor me en houden me op de been. Ik denk nog niet aan de dood, maar ik ben er ook niet bang voor. Ik hoop vooral niet ziek te worden.’ Zus Judith overleed op 23 april 2017 vredig in haar slaap. Een manier waarop ook Selly haar ogen hoopt te sluiten. Al was het overlijden van Judith een flinke klap. ‘Het voelde als een amputatie. Judith is een van de mooiste cadeaus die ik in mijn leven heb gehad. Samen hebben we alles overleefd en beleefd. Het goede en het kwade in het leven’, aldus Selly.

Levensles
Selly’s vertrouwen in medemensen bleef groot. ‘Je kiest zelf je vrienden uit. Ik heb veel Joodse vrienden maar ook veel niet- Joodse vrienden. We zijn allemaal hetzelfde. Een moslim meisje helpt me nu thuis. Ze zou een dochter van me kunnen zijn, zo lief is ze voor me. Ik denk er zelf eigenlijk ook niet eens bij na dat ik Joods ben. Na de oorlog vierde ik joodse feestdagen nog steeds, maar ik beleefde het geloof niet heel actief. Mede door de oorlog. Maar het Jodendom zit in mijn hart.’

Selly woonde aan het eind van haar leven in Zandvoort. Een plek waar nu veel Duitsers vakantie vieren. Moeite met Duisters had Selly niet na de oorlog. ‘Het is een andere generatie. Ik draag nu zelf kleren uit Duitsland en mijn zoon doet zaken met Duitsers. Ik durf het haast niet te zeggen maar ze zijn aardiger en liever dan Hollanders’, aldus Selly lachend. In 2020 overleed Selly in Zandvoort.

Ze sloot dit interview en haar indrukwekkende verhaal af met een levensles die ze als kind al kreeg. Een levensovertuiging die ook na 9 concentratiekampen overeind bleef staan.

Boodschap

Tekst geschreven in juni 2021 door Thijs Nepveu op basis van het interview afgenomen door Herman Teerhöfer in 2019

“Je leefde niet, je werd geleefd” – Leny Boeken-Velleman

Leny Boeken-Velleman (1922-2012) was een sterke veerkrachtige vrouw die de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog heeft weten te overleven. Ze was slechts een zeventienjarig joods meisje toen de oorlog uitbrak. Net als vele andere joden dook zij onder, maar werd uiteindelijk toch opgepakt door de Duitsers. Via het doorvoerkamp Westerbork kwam zij terecht in Auschwitz, waarna zij later gevangen heeft gezeten in het dwangarbeiderskamp Kratzau. Leny overleefde de oorlog, maar zij was dan ook de enige uit haar hele familie. Na de oorlog heeft ze een gezin gesticht en een zoon mogen verwelkomen. Jaren later keerde ze zelfs nog terug naar Auschwitz, naar de plek waar zich al die jaren terug iets onvoorstelbaars had afgespeeld. In het interview vertelt Leny over haar jeugdherinneringen van voor de oorlog, hoe zij die angstaanjagende periode in de verschillende kampen heeft ervaren en hoe de oorlog haar kijk op het leven voorgoed heeft veranderd.

Jeugdherinneringen aan het vooroorlogse Amsterdam

Leny groeide op in een warm en hecht gezin. Haar vader was een socialist die Leny opvoedde om er te zijn voor alle mensen. Men had in die tijd meer voor elkaar over wat in de hedendaagse maatschappij volgens Leny nog weleens tegenvalt. Ze heeft erg fijne herinneringen aan haar jeugd gehad. Het was een fijne tijd, ‘een betere tijd’. Ze herinnert zich ook erg beschermd te zijn opgevoed, zo moest ze ’s avonds met een jongen over straat. Leny rondde de lagere school af en startte vervolgens aan de zogeheten nijverheidsschool, waar ze leerde koken en naaien om zodoende later een huishouden te kunnen organiseren. De kleuterschool en de nijverheidsschool waren beide joodse scholen die een onderdeel waren van haar joodse opvoeding. De joodse religie en de daarbij horende joodse tradities speelden een belangrijke rol in het gezin waarin Leny opgroeide. Ze bezochten de synagoge regelmatig, ze vierden joodse feestdagen en zij aten koosjer. Ze wist niet beter dan haar joodse leven in het vooroorlogse Amsterdam.

In 1940 startte in Nederland de oorlog met de inval van de Duitse troepen. Als toenmalig kind had zij geen besef van het uitbreken van de oorlog. Ze hoorde haar ouders weleens bij de radio fluisteren waarop haar vragen uit nieuwsgierigheid werden beantwoord met: “Als je later groot bent, vertellen we je het wel.” Toen het gezin hoorde van de oorlog die dreigde, sprak Leny’s moeder haar en haar broertje toe: “Als de oorlog uitbreekt, dan gooi ik muntjes in de gaskamer en zet ik de kraan open.” Een ingrijpende ervaring voor Leny op zo een jonge leeftijd, maar hieruit bleek hoe groot de angst voor de oorlog was bij haar ouders. Als kind heeft ze gelukkig nooit iets gemerkt van het antisemitisme voorafgaand en aan het begin van de oorlog. Wel verloren zowel Leny als haar vader hun baan vanwege hun joodse geloof. Van andere anti-Joodse maatregelen had Leny nauwelijks last. Ze was nog te jong om zelf gebruik te maken van de voorzieningen zoals uitgaansgelegenheden of het doen van boodschappen. Bovendien woonde ze in een straat met vele joodse winkels waar ze wel welkom waren.

Onderduikperiode

In juni 1942 besloot het gezin te gaan onderduiken naar aanleiding van een incident waarbij haar broertje werd opgepakt, maar uiteindelijk vrijgelaten moest worden omdat hij onder de leeftijdgrens viel. Later zou er ook een brief liggen voor Leny met de oproep zich te melden. Beide gebeurtenissen gaven samen de aanzet om te gaan onderduiken. Met dit groeiende gevaar dat de nazi’s vormden, verplaatste Leny zich van het ene naar het andere gezin dat haar een ‘veilig’ onderduikadres bood. Ze werd al na 14 dagen gescheiden van haar ouders zonder te weten dat het afscheid voorgoed zou zijn. Dit betekende voor Leny dat zij haar ouders na juni 1942 nooit meer zou terugzien net als de rest van haar familie. Alleen ging ze verder naar de verschillende onderduikadressen, wat haar zwaar viel, maar ze vond verlichting in de aanwezigheid van bekende gezichten onder de andere onderduikers. Net als vele anderen werd Leny uiteindelijk opgepakt door de Duitsers als gevolg van verraad. Leny vertelde hoe ze net zoals haar vader beschikte over een sterk voorgevoel in verschillende situaties, zelfs al voor het uitbreken van de oorlog. Ook gedurende haar onderduikperiode speelde haar intuïtie voor gevaar een sterke rol. Samen met een andere onderduiker at Leny samen bij een onbekende man, toen er in de buurt een bom viel. Zij herinnert zich nog goed dat zij beiden vol van opluchting waren, maar dat ze die man steeds wit zag wegtrekken. Ze voelde dat er iets niet deugde. Diezelfde nacht bleek dat Leny het bij het rechte eind had toen zij werd opgepakt en met haar nog 45 andere mensen.

Drie ontsnappingspogingen & drie huwelijksaanzoeken

Nadat Leny op 3 september 1944 was gepakt, volgde er spannende dagen waarin zij vanuit haar verraadde onderduikadres in Zeist naar Westerbork werd vervoerd. Uit angst heeft ze onderweg drie mogelijke vluchtpogingen onbenut gelaten. Leny’s intuïtie en voorgevoel weerhielden haar ervan te vluchten. De eerste kans om te ontsnappen deed zich voor toen een Duitse soldaat Leny de mogelijkheid bood om te vluchten, omdat ze er niet joods uit zou hebben gezien. De tweede keer bood een jongen op het station aan Leny in zijn fietsbak mee te nemen om zo aan het gevaar te ontsnappen. Haar derde en laatste kans om te vluchten deed zich voor in de trein van Westerbork naar Auschwitz. Uit de laatste wagon werd een gat gezaagd en Leny zou als achtste mogen springen. Ze sprong niet en toch keerde alleen zij levend terug. Wonderbaarlijk, hoe Leny tot drie keer toe de kans had aan het gevaar te ontsnappen en juist door deze onbenut te laten, is zij door het oog van de naald gekropen. Ze werd altijd vooruitgeschoven. Zo mocht zij als achtste uit de wagon springen, alleen zij ontving iedere ochtend een kopje te drinken in de fabriek waar ze werkte en na de bevrijding bracht een Amerikaanse soldaat haar elke dag persoonlijk een stuk chocola. Tot haar eigen verbazing viel zij tussen al die andere meiden op. Tot drie keer toe werd zij ten huwelijk gevraagd. Tweemaal werd zij gevraagd door Nederlandse jongens die na de bevrijding hielpen aan de wederopbouw van het land en de derde keer wilde de eerdergenoemde Amerikaanse militair met Leny trouwen. Trouwen deed ze niet, want ze had grotere zorgen: ze moest naar haar moeder.

“Een beest behandel je beter” (periode in Auschwitz)

In Westerbork werkte Leny in een batterijfabriek en verbleef ze in de strafbarrakken, omdat zij samen met een groep anderen was ondergedoken. Het waren lange en zware dagen en door de aantocht van Dolle Dinsdag werden ze vervroegd op transport gezet richting Auschwitz. Bij aankomst in Auschwitz kreeg iedereen een nummer, zo ook Leny, wier nummer op haar arm werd getatoeëerd. Gebrandmerkt voor het leven. Het tastte haar menszijn volledig aan. Leny herinnert zich ook nog de gemene streken van de Duitsers in het kamp die op de joodse feestdag Rosj Hasjana bloedworst serveerden. Ze kreeg in het kamp nauwelijks te eten of te drinken. De omstandigheden waren ronduit onmenselijk- “zelfs een beest behandel je beter.” “Je leefde niet in Auschwitz, je werd geleefd”, zo vertelde ze. Leny heeft deze erbarmelijke tijd doorstaan door haar kracht te putten uit de hoop haar moeder weer terug te zien. In andere woorden: het terugvinden van haar moeder vormde voor Leny een cruciale drijfveer om te overleven. Deze periode heeft Leny’s geloof in een God tenietgedaan, want welke God had ooit zoiets verschrikkelijks kunnen laten gebeuren.

Toen het de Duisters in Auschwitz te heet onder de voeten werd, kwam Leny in november ’44 in Kratzau (Tsjecho-Slowakije) terecht waar de Duitsers het nog voor het zeggen hadden. In het arbeiderskamp werd ze gestraft voor het stelen van een stuk brood en ging hierbij door het oog van de naald. Als straf onderging Leny een experimentele operatie waarbij haar navel werd verwijderd door dokter van Mengele. Deze man stond bekend als ‘de engel des doods’. Bij het ongeluk was haar geluk dat deze operatie slechts een aantal weken voor de bevrijding was, waardoor zij spoedig de medische hulp zou krijgen die ze nodig had. Mentaal was het extreem zwaar. Niemand kon meer normaal denken onder die omstandigheden: “we waren allemaal geestelijk gestoord. Daar hebben zij wel voor gezorgd.”

“Alles wat kon lopen heeft de benen genomen.”

8 mei 1945 werd Leny in het kamp Kratzau door de Russen bevrijd, maar veel vrijheid ervaarde ze nog niet. Terwijl alle andere gevangenen de benen namen, was Leny door de operatie aan haar navel niet in staat om op te staan, laat staan te lopen. Toch kwam ook Leny met hulp een stap dichterbij huis, althans wat ervan over was. Ze belandde in het ziekenhuis waar werd verwacht dat ze binnen twee dagen zou overlijden. Op wonderbaarlijke wijze vond ze de kracht om niet alleen te overleven maar zelfs op eigen benen, tegen het medische advies in, het ziekenhuis te verlaten. Waar ze die kracht vandaan haalde was voor haarzelf ook een raadsel, maar één ding was duidelijk: ze moest haar moeder weten te vinden. Na vele rondzwervingen kwam ze eindelijk in Nederland aan. Hier stond voor Leny klap achter klap te wachten: de hoop waaraan ze al die tijd had vastgehouden om haar moeder weer te zien was verloren met het nieuws dat geen enkel familielid nog in leven was. Aangekomen op het centraal station in Amsterdam had ze geen enkel idee waar ze heen ging nu ze geen familie meer had. Ook werd zij uitgescholden voor ‘moffenhoer’ omdat Leny in de kampen van top tot teen was kaalgeschoren.

Nasleep van de oorlog

Het verlies van haar familie viel haar zwaar, maar toch hield ze altijd de hoop dat ze nog zouden terugkeren. Het was de onwetendheid en onzekerheid over het lot van haar ouders die zorgden voor angst, maar ook dat deze hoop in stand werd gehouden. Na de oorlog putte Leny haar kracht uit het werken, zo gaf ze zin aan haar leven. Ze stichtte een gezin met haar man die ze na de oorlog ontmoet had, en samen kregen ze een zoon. Leny keerde jaren na de oorlog met regelmaat terug naar Auschwitz. Bij haar eerste bezoek, samen met haar zoon, kwamen bij haar de herinneringen tot in detail terug. Bijzonder, aangezien ze zich in eerste instantie niets meer precies kon herinneren en na het bezoek zelfs exacte data terug kon halen. Een andere belangrijke reden voor Leny om terug te keren was om haar ouders te herdenken bij het Nederlandse monument dat er staat en dat zij beschouwde als het graf van haar ouders. Hoewel Leny de oorlog overleefde, bleef zij toch altijd achter met het grote onbegrip hoe zij als enige die ellendige tijd heeft kunnen overleven. Als kind werd ze een ‘scharminkel’ genoemd, omdat ze altijd zo ziek was en lange tijd niet op haar benen kon staan. Hoe kon zij de oorlog als ‘scharminkel’ overleven en haar gezonde sterke familieleden niet, vroeg Leny zich haar hele leven af. 

“Wat heb ik voor goeds gedaan of wat heb ik voor slechts gedaan dat ik wél leef en de hele familie niet.”

Haar oorlogservaringen hebben ertoe geleid dat Leny haar vertrouwen in de mensheid compleet had verloren. Echter was ze ervan overtuigd dat er zowel slechte als goede mensen op de wereld zijn. Ook de joodse religie was niet meer van even grote betekenis als voor de oorlog. Wel bezocht ze nog een liberale synagoge, al was het voor de sfeer en de gezelligheid. Maar juist ook door deze oorlogservaringen en door alles wat ze heeft moeten doorstaan, veranderde haar kijk op het begrip ‘vrijheid’ voorgoed. 

Tekst: Emma Op het Veld

mei 2021

Naar aanleiding van het interview door Herman Teerhöfer in 2010.

“Laten we vooral in gesprek blijven met elkaar” (Hanneli Goslar)

Hannah Elizabeth ‘Hanneli’ Goslar (91 jaar) is een vrouw van joodse afkomst die de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en overleefd heeft. Tijdens de oorlog heeft ze gevangen gezeten in doorvoerkamp Westerbork en later is ze op transport gezet naar kamp Bergen-Belsen in Duitsland. Hanneli is vooral bekend vanwege haar nauwe vriendschap met Anne Frank, die later beroemd zou worden na de publicatie van haar dagboek. Na de oorlog verhuisde Hanneli naar Israël, waar ze zou gaan werken als kraamverzorgster.

Het dagboek van Anne Frank

Vroege jeugd

Hanneli is geboren op 12 november 1928. Als kind groeide ze op in een orthodox-joods gezin in Berlijn. Haar vader heeft een deel van de Eerste Wereldoorlog doorgebracht in Polen. Hier kwam hij in contact met orthodoxe joden, waarna hij zelf ook strenggelovig werd. Later heeft hij het orthodox-joodse geloof doorgegeven aan de moeder van Hanneli en zijn kinderen. De vader van Hanneli had een goede baan bij de Duitse regering, hij was raadgever van de Minister van Binnenlandse Zaken. Nadat Hitler de verkiezingen had gewonnen (1933), besloot de familie Goslar te vertrekken uit Duitsland, omdat ze zich hier niet meer gewenst voelden. Na een korte periode in Groot-Brittannië vertrok het gezin naar Amsterdam.

Betekenis joodse geloof

De vader van Hanneli zette in Nederland een bedrijfje op om Duitse joden te helpen emigreren naar Nederland. Dit was niet gemakkelijk omdat in deze tijd alle grenzen tussen Europese landen gesloten waren. Ondertussen ging Hanneli in Nederland naar de basisschool. Dit vond ze aan het begin spannend, vooral omdat ze nog geen Nederlands sprak. Gelukkig was er in diezelfde periode een ander Duits meisje dat ook voor het eerst in Nederland naar school ging: Anne Frank. De twee meisjes hadden elkaar kort voordat school begon al ontmoet. Ze woonden namelijk in dezelfde wijk. Hanneli heeft haar schooltijd in Nederland als prettig ervaren. Samen met Anne kletste ze vooral veel en lette ze niet altijd even goed op. De docenten en de directrice van de school maakten geen onderscheid tussen joodse en niet-joodse kinderen en ze hebben Hanneli altijd goed behandeld. Door de vriendschap tussen de twee meisjes waren de familie Goslar en de familie Frank bevriend geraakt. Ze kwamen vaak bij elkaar op bezoek en samen vierden ze joodse feestdagen.

Eerste ontmoeting en vriendschap met Anne Frank

Antisemitisme en begin Jodenvervolging

Ondanks dat Hanneli naar eigen zeggen niet veel last heeft gehad van haar joodse achtergrond in haar jeugd, is ze wel degelijk in aanraking gekomen met antisemitisme (jodenhaat). Toen ze nog in Berlijn woonde, moest ze verhuizen omdat haar vader als ambtenaar van de Duitse regering ontslagen werd. Hetzelfde gold voor alle andere Duitse joden die voor de regering werkten.

Antisemitische maatregelen op het werk

Ook in Groot-Brittannië werd het joodse geloof van de familie Goslar niet volledig geaccepteerd. Vader kon er niet werken omdat hij weigerde ook op zaterdag te werken. Op zaterdag is het sabbat, de wekelijkse rustdag voor joodse mensen. Ook in Nederland kreeg de familie Goslar problemen. Na de Duitse bezetting kon de familie het eigen bedrijf niet voortzetten. Voortaan moesten ze via andere klusjes aan geld komen. Samen met een Italiaanse man maakten ze bijvoorbeeld ijs, wat ze vervolgens op straat verkochten. Zo kon de familie toch nog iets verdienen waarvan ze eten konden kopen. Na de Duitse bezetting werden Hanneli en andere joodse kinderen geweerd van normale scholen. Ze moesten voortaan naar aparte joodse scholen. Hanneli had het geluk dat ze net het jaar hiervoor de basisschool had afgemaakt.

In de zomer van 1942 worden de eerste joodse mensen opgeroepen voor werkkampen. Toen was niet bekend dat het eigenlijk om vernietigingskampen ging. De zus van Anne Frank stond op de eerste lijst. De familie Frank besloot hierna om onder te duiken in het kantoor van vader Frank. Als men vroeg waar de familie gebleven was, dan werd gezegd dat ze waren verhuisd naar familie in Zwitserland. Hanneli heeft de jaren hierna gedacht dat Anne veilig in Zwitserland verbleef. De familie Goslar kon niet onderduiken. Dit kwam omdat ze een jong kind hadden en omdat mevrouw Goslar opnieuw in verwachting was. Omdat meneer Goslar ambtenaar was geweest kon hij valse Paraguayaanse paspoorten regelen en hij regelde dat de familie Goslar op een bepaalde lijst kwam te staan. Op deze lijst stonden mensen die naar Palestina (het huidige Israël) zouden verhuizen. Mensen uit bepaalde landen (bijvoorbeeld Paraguay) die op deze lijst stonden hoefden in eerste instantie niet naar de kampen. Duitsland kon deze mensen namelijk ruilen tegen Duitse soldaten die in vijandige landen waren opgepakt en daar vast zaten. Zodoende kon de familie Goslar tot 1943 in Nederland blijven wonen.

Leven in het kamp

In 1943 besloten de Duitsers om ook de mensen van de beschermde lijst op te pakken.

Opgepakt

Hanneli kwam terecht in doorvoerkamp Westerbork. In Westerbork hadden de joodse mensen die er al langer zaten een weeshuis opgebouwd voor jonge kinderen. Hanneli heeft zeven maanden in kamp Westerbork doorgebracht in het weeshuis, samen met haar kleine zusje. In dit weeshuis zaten veel jonge kinderen en baby’s die in het land gevonden waren. Sommige kinderen werden verstopt bij boerderijen of op andere plaatsen. Van veel van deze kinderen was het niet duidelijk of zij nog levende ouders hadden of waar die ouders waren. Hanneli verbleef in het weeshuis om te helpen met het verzorgen van haar kleine zusje en de andere kinderen die hier verbleven. In Westerbork werd het zusje van Hanneli erg ziek.

Werk in Westerbork

Een kennis van de familie Goslar was dokter en zat ook opgesloten in het kamp. Hij heeft uiteindelijk het kindje succesvol geopereerd, terwijl er geen professionele doktersspullen aanwezig waren in het kamp. Hanneli’s verblijf in Westerbork was zwaar, maar naar omstandigheden nog dragelijk.

Waren de Duitsers alleen maar wreed?

De leiding van het kamp was niet zo gewelddadig en onmenselijk als in andere kampen. Zo probeerde de commandant altijd te zorgen voor extra eten voor de kinderen in het weeshuis.

Gevangenschap in Westerbork

Kamp Bergen-Belsen

Na Hanneli’s periode in Westerbork werd ze doorgevoerd naar Bergen-Belsen. Hier hebben Hanneli en haar zusje het restant van de oorlog gezeten.

Joodse religie als houvast in de kampen

Na het verlaten van de trein moesten de meisjes nog een lang stuk lopen. Dit was haast niet te doen, omdat Hanneli’s zusje nog steeds ziek was. Gelukkig werd dit opgemerkt en mochten de twee meisjes instappen in een auto die richting het kamp reed. In Bergen-Belsen werden geen mensen vergast, zoals dat in Auschwitz wel gebeurde. Echter, de omstandigheden waren slecht: er moest hard gewerkt worden en de gevangenen zaten met heel veel mensen in te kleine barakken. Eten was schaars. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden. Hierdoor kon Hanneli haar vader maar heel soms zien. Uiteindelijk zijn er in Bergen-Belsen vooral veel mensen gestorven aan ziektes zoals de tyfus. De mensen zaten te dicht op elkaar en de onhygiënische omstandigheden zorgden ervoor dat ziektes snel verspreid werden. Later in de oorlog, werden mensen uit Auschwitz getransporteerd naar Bergen-Belsen. Deze mensen brachten luizen en andere besmettelijke ziektes mee, waardoor in de laatste maanden van de oorlog nog veel mensen gestorven zijn.

Hanneli werd ook ziek. Ze kreeg geelzucht. Hiervoor moest ze naar het ziekenhuis. Gelukkig wilde een joodse familie uit Griekenland haar zusje verzorgen in het kamp in de tijd dat ze weg was. Een lid van de Griekse familie had een tijd in Berlijn gewoond en kende de vader van Hanneli goed. Als dank voor alles wat Hanneli ’s vader voor de joodse mensen had gedaan, wilde de Griekse familie zorgen voor Hanneli en haar zusje. In 1945 heeft Hanneli ook nog contact gehad met Anne Frank, die inmiddels van Auschwitz was getransporteerd naar Bergen-Belsen. De joden uit Auschwitz werden met een muur gescheiden van de andere gevangenen. De Duitsers waren bang dat de joden uit Auschwitz hun verhalen over de gruwelijke omstandigheden in het kamp zouden doorvertellen aan de joden aan de andere kant van het hek. Contact tussen Hanneli en Anne moest stiekem.

De ontmoeting met Anne Frank in Bergen-Belsen

Enkele keren heeft Hanneli eten over het hek gegooid naar Anne. Anne en haar zus Margot waren al te ziek en zouden uiteindelijk overlijden in Bergen-Belsen. Hanneli en haar zusje wisten de oorlog wel te overleven.

Leven na de oorlog

Eerste shabbat na de bevrijding

Hanneli vertelt na de oorlog dat de joodse overlevenden verschillend zijn omgegaan met het joodse geloof. Sommige joodse mensen zijn volledig van het geloof afgestapt. Als er daadwerkelijk een God bestaat, waarom heeft deze de mensen dan niet behoed voor deze vreselijke tijd? Een tijd waarin hele families vermoord zijn en waarbij enkele overlevende familieleden achterbleven met een schuldgevoel. Waarom hadden zij het overleefd en hun dierbaren niet?

Verlies van het geloof

Bovendien werden veel naoorlogse kinderen niet meer joods opgevoed omdat ouders hun kinderen wilden beschermen voor het antisemitisme. Andere joodse mensen zien het feit dat ze nog leven juist als een daad van God. Zodoende zijn sommige mensen het geloof juist intensiever gaan belijden. Dit geldt bijvoorbeeld voor Otto Frank. De vader van Anne was de enige overlevende van de familie Frank. Hij stond er alleen voor. Dankzij het geloof bleef hij in contact met andere joodse mensen. De saamhorigheid tussen de joodse mensen en het gezamenlijk vieren van de joodse tradities hielp bij het rouwproces: kunnen optrekken met mensen met gelijke ervaringen, die als enige een voorstelling konden maken van het leed dat joodse mensen hebben ervaren.

Leven na de oorlog

Hanneli is na de oorlog naar Israël verhuisd. Hier heeft zij lange tijd als kraamverzorgster gewerkt. Ook heeft ze veel gepraat en haar ervaringen gedeeld met andere mensen. Dit heeft haar geholpen om het leed te verwerken. Terugkijkend op de oorlog kan ze nog steeds niet bevatten hoe het kan dat mensen op commando de meest vreselijke dingen kunnen doen. Ze vindt het onvoorstelbaar dat Duitse soldaten op commando mensen in koelen bloede hebben vermoord, terwijl ze thuis hun kinderen en huisdieren vertroetelden met liefde en aandacht. De mens is van nature niet gewelddadig, maar als ze gedwongen worden of overtuigd worden van een bepaalde waarheid, dan zijn ze tot vreselijke dingen in staat.

Hanneli heeft dan ook als boodschap voor de jeugd dat men vooral moet blijven praten.

Boodschap voor de jeugd

Geweld en oorlog lossen niets op. Mensen moeten vooral in gesprek blijven gaan en proberen wederzijds begrip op te brengen. Ze vindt het belangrijk dat deze verhalen verteld blijven worden, zodat men zich blijft herinneren dat oorlog en genocide het ergste is wat de mensheid kan overkomen.

Dit artikel is geschreven door Jim Duijndam op basis van het interview van Herman Teerhöfer met Hanneli Goslar.

Wie doet mij wat!? – Maurits Koopman

Artikel geschreven door Jim Duijndam – 15 juni 2021
naar aanleiding van het interview door Herman Teerhöfer in 2011.

“Ik ben altijd mijn eigen weg gegaan”, benadrukt Maurits Koopman regelmatig tijdens het interview dat in 2011 is afgenomen. Ook op 86-jarige leeftijd (geboren in 1924) is Maurits nog bij de tijd en heeft hij een authentieke zienswijze over de zaken die aan bod komen. In zijn jeugd in Nederland (als joodse jongen geconfronteerd met antisemitisme) en tijdens de oorlog, verblijvend in verschillende concentratiekampen, was Maurits vaak op zichzelf aangewezen. Het op zichzelf aangewezen zijn vormt een rode draad in zijn leven; zo ook toen hij na de oorlog als zeeman de wereld overging en hij vrouw en kinderen achter moest laten. Maurits kan terugkijken op een bewogen leven. Een leven waarin hij veel gruwel en verdriet van dichtbij ervaarde, maar waarin hij ook een mooi gezin stichtte met twee kinderen. Als zeeman en later kapitein trotseerde hij jarenlang de onvoorspelbaarheid van de zee. “Wie doet mij wat”, zegt Maurits. “Zelfs Auschwitz krijgt mij niet klein.”

Foto van Maurits Koopman

Mensen willen geen minderheden

Maurits werd geboren op 25 april 1924 in Amsterdam. Thuis waren ze met z’n vieren, twee broers en één zus. Het leeftijdsverschil tussen zijn oudere zus en broer en zijn jongere broertje was betrekkelijk groot. “Mijn ouders deden aan geboortebeperking”, vertelt Maurits. Deze manier van leven was betrekkelijk modern voor een gezin dat aan het begin van de twintigste eeuw gesticht werd. Maurits’ gezin was liberaal joods, wat inhield dat ze niet in alle gevallen heel streng in de leer waren. Zijn ouders gingen gewoon naar christelijke winkels en maakten hier geen groot issue van. Maurits kreeg de vrijheid om zelf keuzes te maken. Na zijn eerste bezoek aan sjoel besloot Maurits dat het niet aan hem besteed was. Maurits groeide op in een liefdevol gezin. Maar net als veel andere gezinnen in de jaren dertig was het niet altijd even makkelijk. Vader moest hard werken voor weinig geld en moeder had veel last van depressieve klachten.

Ondanks dat het jodendom een kleine rol speelde in het gezin van Maurits, ervaarde hij het toch als etiket wat regelmatig op hem geplakt werd. Maurits is geboren als Mozes Koopman, een naam die hij altijd met zich meedroeg. “Ze pikken je er gelijk uit”, zegt Maurits. Na een ruzie op school zou een onderwijzer tegen hem zeggen: “Met joodse kinderen zoals jij weten ze in Duitsland wel raad.” Minderheden hebben het altijd lastig in een samenleving, vertelt Maurits. “Mensen willen geen minderheden om hen heen. En al helemaal niet als deze minderheid succesvoller is dan het gewone volk.”

Niet opgeven zolang je kunt leven

Het staat Maurits helder bij dat de sfeer in de jaren dertig steeds grimmiger werd. “Ik volgde de opkomst van Mussolini in Italië en de burgeroorlog in Spanje op de voet”, vertelt Maurits. Maurits’ vader had hier niet echt een boodschap aan. Hij moest alle zeilen bijzetten om zijn gezin te voeden. Tijd voor het volgen van politiek had hij niet. Maurits heeft nooit echt kunnen aarden op school en hij begon al vroeg met werken. Hij zou na het uitbreken van de oorlog veel voordeel hebben van het feit dat hij werkte.

Maurits vertelt dat iedereen in mei 1940 begon met het verduisteren van de ramen. En dit gebeurde niet zomaar, want niet veel later vielen de bommen in Amsterdam. Na de bezetting in mei volgden de eerste anti-joodse maatregelen al snel. Maurits was lid van de luchtbescherming, maar hier staken de Duitsers een stokje voor. Destijds werkte Maurits voor een kleermaker die bontjassen leverde aan het Duitse leger. Dit was zijn geluk. Hij kreeg een stempel waardoor hij voorlopig niet gedeporteerd zou worden. Hij probeerde zijn leven zo goed mogelijk voort te zetten. “Zolang er kansen zijn om te leven dan moet je niet opgeven”, vond Maurits. Uiteindelijk zou hij toch opgeroepen worden om te werken aan het front. Tijdens de keuring was Maurits in paniek. “Ze gaan ons allemaal vermoorden!”, schreeuwde hij. Maurits werd meegenomen en ondergebracht in een kliniek waar hij geestelijk onderzocht moest worden. Na vijf weken mocht hij naar huis en had hij zijn deportatie tijdelijk afgewend.

Onzekerheid

Na razzia’s werden Amsterdamse joden naar de schouwburg gebracht. Hier moesten ze verzamelen om op transport te gaan. Maurits en zijn gezin zijn wel tien keer in de schouwburg geweest. Maar steeds hoefden ze niet op transport omdat Maurits ooit een NSB-jongetje had gered uit een benarde situatie. Steeds als ze naar de schouwburg gebracht werden verkeerden ze in onzekerheid omdat ze misschien gedeporteerd zouden worden. De Duitsers hielden bepaalde quota aan voor hoeveel joden ze per rit op transport moesten zetten. Op een dag waren er onvoldoende mensen om op transport te gaan en lukte het Maurits niet meer om het transport te ontlopen. Voordat ze werkelijk op de trein gezet werden moesten ze eerst wachten in een gymzaal. Er was weinig tot geen eten en de joodse mensen werden onmenselijk behandeld. Sommige joden traden op als cabaretier, maar dan nog was de sfeer timide. Iedereen wist dat het foute boel was. Maurits en zijn familie werden naar Vught gestuurd. Hier kwamen ze beter terecht dan in Westerbork, werd hen verteld. Achteraf viel dit te betwijfelen.

Van de vrijheid bestolen

Eenmaal aangekomen in Vught was het duidelijk dat hij in een echt concentratiekamp terecht was gekomen. “Er stonden hoge hekken en mitrailleursnesten, het voelde beklemmend.” Bij aankomst werden mannen en vrouwen van elkaar gescheiden. Hij sliep met zijn vader in een stapelbed. Maar aan zijn vader, evenals zijn moeder, ervaarde hij weinig steun. “Ze waren terneergeslagen. Als hun kinderen het maar overleefden, maar voor zichzelf hadden ze het al opgegeven”, vertelt Maurits. Als jonge jongen had hij meer psychische veerkracht dan zijn ouders. Hij was ervan overtuigd dat het uiteindelijk goed zou komen, terwijl dat misschien wel heel naïef was om te denken. Hij was niet angstig en hij dacht in Vught geen moment aan sterven. Uiteindelijk werd zijn gezin weggevoerd naar andere kampen. “Hun lot lag niet meer in mijn handen.”

In Vught heerste een streng regime. Het was echt overleven. Hij probeerde zo min mogelijk op te vallen. Bij een appèl probeerde hij nooit vooraan te staan. In het kamp heeft hij verschillend werk gedaan. Hij werkte kort bij een buitenkommando maar hier werd veel geslagen. Uiteindelijk kreeg Maurits een baantje als kleermaker, aangezien hij al ervaring had met het werk. Hij had zich graag bij het Philips Kommando willen voegen maar dit lukte niet. In het Philips Kommando werd men immers beter behandeld en was er meer en beter eten. Philips wordt vaak geprezen voor hun rol in Vught. Maar Maurits hield er toch een nare smaak aan over. “Uiteindelijk hebben ze geproduceerd voor de Duitsers en hebben ze meegeholpen aan de oorlogseconomie.”, stelt Maurits.

Maar hoe hield hij zich dan toch staande in Vught? In het kamp maakte Maurits een goede vriend. Dit hielp hem. Bovendien kreeg hij af en toe post van zijn broertje die tijdens de treinreis heeft kunnen ontsnappen. Via via kon Maurits wat extra eten bij Philips krijgen. Dit hielp hem om op kracht te blijven. Ook heeft hij regelmatig voedsel gestolen in het kamp. “Stelen is niet goed en het voedsel was al helemaal niet koosjer. Maar in deze situatie brak nood wet en deed ik alles om te overleven.”

Van kamp naar kamp

Maurits zou zo’n vijf maanden in Vught verblijven. Hierna verbleef hij zo’n twee maanden in Westerbork alvorens hij naar Auschwitz gedeporteerd werd. Ondanks dat hij in Westerbork alleen was, heeft hij hier betere herinneringen aan. “We mochten gewone kleren aan in plaats van gevangeniskleding en de mannen en de vrouwen werden niet strikt van elkaar gescheiden.” In Westerbork waren optredens, cabaret en er werden verschillende liederen gezongen. Maurits kent de tekst nog tot op de dag van vandaag. “De liederen zijn onderdeel van mijn trauma. Ik zal deze nooit vergeten.” Het vertrek uit Westerbork was vrij abrupt en Maurits kreeg geen tijd of gelegenheid om zijn bezittingen mee te nemen. Maurits was nieuwsgierig waar zijn trein nu naartoe zou gaan. Maar wat hij hier aan zou treffen oversteeg de meest duistere verwachting.

Na een lange reis kwam Maurits aan in Auschwitz-Birkenau. Van wat hij daar zag draait je maag om: er werden mensen geslagen, mensen schreeuwden en er lagen overal lijken. Mensen die niet goed ter been waren werden direct naar de gaskamer gebracht. Jonge mensen werden verzameld in een kamp, maar ook voor hen leek dit de eindbestemming van het leven. Maurits vertelde later: “Ik was negentien jaar. De dood was voor mij iets onbegrijpelijks. Het was heel gevaarlijk maar ik heb in deze periode nooit gedacht aan sterven.” Gelukkig verbleef Maurits maar een paar weken in Birkenau. Hierna werd hij bij een plaatselijke kolenmijn gebracht per vrachtauto. In deze mijnen heeft hij gewerkt tot begin 1945.

Kolenmijnen

Het was bijna anderhalf jaar hard werken in de mijnen; maar het was allicht veiliger en beter dan in Birkenau. Er was meer vrijheid en minder bewaking. Wel ondervond Maurits aan den lijve wat de gevolgen waren van een vluchtpoging: een medegevangene werd zonder mededogen neergeschoten nadat hij de benen nam. Om wat meer eten te krijgen deed hij extra klusjes. Hij hielp bij de plaatselijke duiventil en hij stond zo nu en dan op wacht. In deze periode moest Maurits sterk blijven. Als je iets mankeerde dan werd je teruggestuurd naar Birkenau en wie weet wat hem daar te wachten stond. Gelukkig was hij jong en soepel van geest waardoor hij van dag tot dag kon leven. Om de sfeer erin te houden zong hij liederen met andere gevangenen. Begin 1945 werden de kampen in het oosten geëvacueerd. De Duitsers moesten redden wat er nog te redden viel.   

Eerst werd Maurits op de trein gezet en later moesten hij en de anderen nog tien dagen aan een stuk lopen. Gelukkig had hij in Polen een joodse dokter ontmoet waar hij goed mee optrok. Samen hielden ze hoop en doorstonden ze de vrieskou tijdens de dodenmarsen. Het was immers hartje winter en goede kleren hadden ze niet. Het was chaos. Ze deden nog verschillende kampen aan, maar overal was er paniek en werden de kampen afgebroken. Na wat omzwervingen werden Maurits en de andere overgeblevenen opgevangen door het Zweedse Rode Kruis in de buurt van Lubeck. Per stoomschip gingen ze naar Zweden, naar Denemarken en later via Duitsland terug naar Nederland. Maurits heeft weinig anti-Duitse sentimenten overgehouden aan de oorlog. “Door te haten pak je de verkeerde. In Duitsland trof ik ook bedelende kinderen aan en die jongens die door Hitler naar Stalingrad gestuurd werden hebben ook de gruwelijkste dingen meegemaakt.”

Vrijheid

Na de oorlog voelde Maurits zich bevrijd. Hij kon werken, geld verdienen, studeren en een gezin stichten. Echter, in je hoofd voel je je nooit helemaal bevrijd, vertelt hij. De beelden en herinneringen van al de gruwelijke dingen die gebeurd zijn blijven aanwezig. Maurits wilde niet meer denken aan het verleden. Als zeeman voer hij naar de andere kant van de wereld, weg van de oorlog, weg van Amsterdam, weg van alles wat hem herinnerde aan het verleden. Het leven op de boot was hem op het lijf geschreven. Op de boot was je op elkaar aangewezen, iedereen hielp elkaar, ongeacht afkomst of godsdienst. Ook als zeeman was hij voor niets bang. Op een dag besloot hij van de boot te springen om een stukje te zwemmen. Zijn collega’s schreeuwden hem toe dat er haaien in het gebied zwommen, waarna hij snel weer aan boord kwam. Gelukkig liep het goed af.

Maurits was een gewaardeerde zeeman. Hij deed zijn werk zo goed dat hij promoveerde tot kapitein. Ineens was het leven niet zo zorgeloos meer. Hij kreeg de verantwoordelijkheid over de winst van de rederij en het welzijn van zijn bemanning. Bovendien kreeg hij kinderen met zijn vrouw waardoor hij thuis ook een gezin had wat onderhouden moest worden. Het was hard werken voor de rederij en voor zijn gezin, maar toch heeft hij zich jarenlang 100% voor beide gegeven. “Maar uiteindelijk zijn kinderen het belangrijkste”, vertelt Maurits. Hij ziet het als een van de voornaamste dingen die zin geven aan zijn bestaan. Maurits onderhoudt goede contacten met allebei zijn kinderen. Dit is iets wat hem veel voldoening geeft naar mate hij ouder wordt.

Wantrouwend

Vanaf zijn vroege jeugd heeft Maurits last gehad van zijn joodse achtergrond. Terwijl hij zelf weinig binding heeft met de religie. Maurits beschrijft vrede als iets wat niet voor iedereen weggelegd is. “Als je sterk genoeg bent dan word je met rust gelaten, maar als je zwak bent dan heb je een probleem.” Vooral in Nederland heeft iedereen de mond vol van gelijke rechten voor iedereen, maar dit wordt niet altijd in daden omgezet vindt Maurits. “Mensen worden nog steeds beoordeeld op basis van kleur, geloof en andere dingen die geen rol zouden moeten spelen”. Hij betreurt het dan ook dat antisemitisme en discriminatie nog altijd springlevend zijn. Hij wantrouwt de mens vanwege diens hebzucht: “Mensen handelen vooral uit eigenbelang.”

“Ik ben niet bevrijd, het wordt iedere dag erger” – Flora Schrijver-Jacobs

Flora Schrijver-Jacobs

Interviewer: Herman Teerhöfer in november 2011.

Blog geschreven door Lena van Leeuwe in oktober 2021.

Nijmegen, Utrecht en Amsterdam

Op 14 juni 1923 werd Flora Jacobs geboren in Nijmegen. Haar ouders waren Benjamin Jacobs en Henriette Zadick, die anderhalf jaar later een tweede dochter kregen, Rebecca Jacobs. De twee zussen groeiden op in een warm gezin, waarin de joodse religie overwegend aanwezig was: ze bezochten de synagoge met hoogfeestdagen en aten alleen koosjer voedsel. Benjamin Jacobs was beroepsmilitair, maar had daarnaast ook een grote interesse in muziek. In 1935 verhuisde het gezin naar Utrecht, waar Benjamin trompettist en bassist in het Utrechts Stedelijk Orkest werd. Op verzoek van haar vader begon Flora met het spelen van klassieke pianomuziek. Al snel was duidelijk dat Flora haar vaders muzikale aanleg met hem deelde, al lag haar voorkeur meer bij jazz. Toen het gezin naar Amsterdam verhuisde, opende Flora’s vader een stoffenwinkel op de Haarlemmerdijk. In deze winkel werd Flora leidinggevende zodra ze haar opleiding aan de meisjesschool had afgerond.

De eerste oorlogsjaren

Na de Duitse aanval op Nederland in mei 1940 veranderde Flora’s leven snel. De familie moest in een Judenviertel gaan wonen en ze werden gedwongen hun huis en winkel achter te laten. Toen ze een oproep ontvingen om zich te melden voor de werkkampen, verzetten ze zich niet. Ze werden door politieagenten in een vrachtwagen naar de Hollandsche Schouwburg gebracht, niet wetende dat de schouwburg dienst deed als deportatieplaats om Joden via Vught en Westerbork naar concentratiekampen te deporteren. Tijdens hun verblijf van enkele dagen in de schouwburg, gaf een SS’er die tegen de Jodenvervolging was de familie de kans te vluchten en onder te duiken. Flora’s vader sloeg dit aanbod echter af, omdat hij wist dat ze te weinig geld hadden om de rest van de oorlog onder te duiken. Onderduiken kostte namelijk vaak een fortuin; niet iedereen nam mensen slechts uit liefdadigheid in huis.

Westerbork

Vanuit de Hollandsche Schouwburg werd familie Jacobs in een passagierstrein naar Westerbork afgevoerd. Flora verbleef hier een paar maanden. Ze werkte er in de wasserij, haar moeder had er de leiding over het schillen van de aardappels en haar vader speelde in het kamporkest. Eén keer per week vertrok er een transport met gevangenen naar het Oosten, maar omdat deze transporten zogenaamd naar de werkkampen zouden leiden, stond niemand hier lang bij stil. Flora’s zusje Rebecca stond hoog op de transportlijst, dus zij werd eerder dan haar ouders en zus opgeroepen voor transport. Flora heeft gesmeekt en gebeden dat haar zusje mocht blijven, maar dit mocht niet baten. Rebecca werd gedeporteerd naar Sobibór en werd hier na aankomst onmiddellijk vergast; ze was 18 jaar oud. De zusjes hebben nooit afscheid van elkaar kunnen nemen.

In Westerbork werd Flora herenigd met de Duitse Jood Emanuel van Praag, die ze kende uit Amsterdam. Duitse Joden werden destijds nog niet op transport gesteld vanuit Westerbork naar concentratiekampen, omdat zij de nazi’s nog van pas kwamen voor bepaalde taken. Emanuel vroeg Flora in Westerbork ten huwelijk, in de hoop dat hun huwelijk ook haar deportatie uit kon stellen. De twee trouwden en Flora kreeg als het ware een tijdelijke ‘vrijstelling’ van deportatie. Toen haar ouders in augustus 1943 opgeroepen werden voor transport, meldde Flora zich echter vrijwillig, omdat ze niet van haar ouders gescheiden wilde zijn. Emanuel deed hetzelfde; hij wilde niet in Westerbork blijven zonder zijn vrouw. In een groot transport werden ze in overvolle, donkere veewagons naar Auschwitz gedeporteerd. Dit was een reis van drie dagen, die velen niet overleefden.

Flora Schrijver-Jacobs in 2011

Auschwitz-Birkenau: “Je werd geleefd“

Bij aankomst in Auschwitz-Birkenau werden mannen en vrouwen uit elkaar geslagen. Flora verloor haar vader en man uit het oog, maar ontdekte na de oorlog wat hen overkomen was; Emanuel overleed al snel na aankomst in Auschwitz en Benjamin Jacobs verrichte nog enkele maanden zware dwangarbeid, voordat hij in maart 1944 alsnog om het leven werd gebracht.

De groep van 1500 vrouwen werd in twee rijen verdeeld. Samen met 99 anderen kwam Flora in de linker rij terecht, de mensen die sterk genoeg geacht werden om te dienen als werkkrachten. De overige 1400 gevangenen, onder wie Flora’s moeder, vormden de rechter rij. Flora wist nog niet dat zij direct naar de gaskamers geleid zouden worden. Toen ze later de rook uit de schoorstenen van de crematoria zag komen en de geur rook die het hele kamp in zijn greep had, wist ze al snel wat haar moeder overkomen was. Ook van haar heeft ze nooit afscheid kunnen nemen.

De 100 mensen uit de linker rij werden naar een ruimte geleid waar ze zich moesten uitkleden en op hun knieën moesten gaan zitten. Hier werden Flora’s lange haren afgeschoren en kreeg ze een nummer op haar arm getatoeëerd. Ze moesten douchen met ijskoud water, in een ruimte met kapotgeslagen ramen. Ze kregen geen handdoeken om zich af te drogen, waardoor de meesten bij aankomst meteen longontsteking of een andere ziekte opliepen. Ze sliepen in hokken met stro en hadden geen dekens om warm te blijven, al werd het er in de winter soms wel 15 graden onder nul. Elke ochtend moesten ze op appèl staan op schoenen zonder zolen, soms in een dik pak sneeuw. Ze kregen nauwelijks te eten, op af en toe wat waterige soep en een boterham na. Eén keer per week werd er bloedworst geserveerd. De nazi’s hielden er geen rekening mee dat bloedworst niet koosjer was. Sommige Joden weigerden uit geloofsovertuiging dan ook om dit te eten. Flora liet deze traditie echter los, wetende dat elk beetje eten haar kans op overleven zou vergroten. Waar Flora voor de oorlog een bescheiden meisje was, werd ze in de kampen erg brutaal. Om op krachten te blijven at ze boombladeren en stal ze beschimmelde aardappelschillen uit de keuken. Toch was dit lang niet genoeg. Flora voelde haar lichaam en geest aftakelen en begon net te accepteren dat de dood niet meer lang op zich zou laten wachten, toen zich een kans voordeed.

Het kamporkest

Toen er in Auschwitz werd medegedeeld dat er nieuwe leden voor het kamporkest gezocht werden, meldden 150 vrouwen zich aan. Een van hen was natuurlijk Flora, die zich niet alleen het piano spelen eigen had gemaakt, maar vlak voor de oorlog ook begonnen was met accordeon spelen. Samen met slechts twee andere vrouwen werd Flora geselecteerd voor het kamporkest. Flora had niet alleen het geluk dat ze een van de weinige accordeonisten in de groep was, ook haar Nederlandse afkomst bracht haar in het voordeel.De Joods-Oostenrijkse orkestdirigente Alma Rosé, nicht van Gustav Mahler, was getrouwd geweest met een Nederlander en had daardoor een soort voorkeur voor Nederlanders. Als lid van het orkest werd Flora van Auschwitz-Birkenau, het vernietigingskamp, verplaatst naar het nabijgelegen Auschwitz I, het basiskamp. Hier leefden de orkestleden in de muziekbarak, waar Flora’s omstandigheden licht verbeterden. Er was weinig bewaking bij de barak en de vrouwen kregen iets meer vrijheid, met overdag bijvoorbeeld tijd om muziek te studeren. Ook was er in de muziekbarak een klein kacheltje om warm te blijven in de kou.
Toch bleef het leven in Auschwitz zwaar en onmenselijk. Iedere ochtend rond vijf uur moest het orkest zich bij de poorten verzamelen, om marsmuziek te spelen voor de werkcommando’s die het kamp verlieten (audiodeel 1, 31:50 – 32:22).
Ook de SS’ers zelf genoten van de muziek van het vrouwenorkest, maar dit betekende niet dat ze ook maar enige vorm van respect of medeleven toonden jegens de orkestleden:
(audiodeel 1, 29:27 – 30:04).
Op zondagen werden Flora en een Hongaarse violiste uit het orkest regelmatig uit het kamp gehaald en naar het huis van kampcommandant Josef Kramer begeleid. Hier moesten ze muziek maken voor Kramers vrouw en kinderen.

In Auschwitz was Flora getuige van veel gruwelijkheden. Elke dag zag ze de crematoria branden en rook ze de afschuwelijke geur die hier vanaf kwam. Veel andere gevangenen draaiden door en gooiden zichzelf in het stroomdraad aan de hekken. Ze zagen de dood als enige uitweg uit hun lijden. Zelf heeft Flora het nooit op willen geven. Ze heeft de kracht gevonden om door Auschwitz heen te komen, al weet ze zelf niet waar deze kracht vandaan kwam. ‘Ik leefde maar, ik deed maar wat’, zegt Flora later over haar tijd in Auschwitz.
Haar vertrouwen in God verloor Flora al snel in het concentratiekamp en ze heeft dit na de oorlog ook nooit meer hervonden.

Toen het Rode Leger eind 1944 steeds verder oprukte richting Auschwitz, moesten de nazi’s actie ondernemen. In een poging de sporen van de massamoord zo goed mogelijk uit te wissen, werden de vijf crematoria een voor een opgeblazen. De gevangenen die werkten in de gaskamers en crematoria werden geëxecuteerd, omdat zij tegen de nazi’s zouden kunnen getuigen. De vele andere gevangenen die nog in Auschwitz vastzaten, moesten naar andere concentratiekampen gedeporteerd worden. In ‘dodenmarsen’ werden veel gevangenen gedwongen om onder levensbedreigende omstandigheden naar kampen elders in het Derde Rijk te lopen. Ook vertrokken er treinen uit Auschwitz om de evacuatie sneller te laten verlopen. Flora werd met de laatste trein vanuit Auschwitz naar Bergen-Belsen gedeporteerd, vlak voordat de geallieerden Auschwitz bevrijdden.

Bergen-Belsen

De situatie in Bergen-Belsen kon nauwelijks met woorden omschreven worden. Het concentratiekamp raakte extreem overbevolkt met de komst van steeds meer geëvacueerde gevangenen uit concentratiekampen in het Oosten. Dit in combinatie met het gebrek aan hygiëne zorgde ervoor dat ziekten en ongedierte zich er als een lopend vuurtje verspreidden. Alleen al tussen januari en april 1945 stierven er 35.000 gevangenen in Bergen-Belsen, ten gevolge van ziekten, ondervoeding en uitputting.  

In Bergen-Belsen werd Flora herenigd met Appie Schrijver, de verloofde van haar zus. Ook hij had in Auschwitz gezeten, maar dan in het ‘Familienlager’. Hier werden familieleden niet van elkaar gescheiden en mochten de gevangenen hun haar en kleding behouden. Hier stond een grote geldsom tegenover en alleen de rijkste Joden konden zich dit dus veroorloven.
Na enige tijd in Bergen-Belsen liep Flora nog een bekende tegen het lijf: Josef Kramer, de SS’er uit Auschwitz. Hij was na de evacuatie van Auschwitz kampcommandant geworden in Bergen-Belsen, waar hij ‘Het Beest van Bergen-Belsen’ genoemd werd. Hij kreeg deze bijnaam vanwege de duizenden gevangenen die hij martelde en liet creperen in het kamp. Toch deed hij iets voor Flora waarmee hij, bedoeld of onbedoeld, misschien wel haar leven gered heeft: (LQ Flora Schrijver-Jacobs – 5e beeldfragment (die van 11:55 minuten lang), 6:24 – 7:17).

Flora ervoer Bergen-Belsen als een ramp, vooral voor haar eer gesproken.
In het kamp waren er geen toiletten, slechts diepe gaten in de grond met boomstammen om op te zitten. Je kon je er niet afvegen of schoonmaken. In het kamp deelde Flora een smal bed met een Slowaakse vrouw, die op een dag dood naast Flora in bed lag.
‘Waar je in Auschwitz vergast werd, ging je in Bergen-Belsen vanzelf wel dood’, zegt Flora later over deze tijd. Zelf liep ze in Bergen-Belsen zeven ziekten op, waaronder paratyfus, vlektyfus en een kaakziekte die haar tanden deed uitvallen.

De bevrijding

In april 1945 begon de bevrijding van Bergen-Belsen door de Britten. Bij aankomst troffen zij duizenden lijken aan die onbegraven en in staat van ontbinding in het kamp lagen. Van de 60.000 overlevenden zouden er in de daaropvolgende weken nog 14.000 overlijden, ten gevolge van onder andere uitdroging en verhongering. De SS’ers werden vervolgd en in de meeste gevallen ter dood veroordeeld. Zo ook Josef Kramer. Flora heeft de kracht nog kunnen vinden om tegen de kampleiders te getuigen. De Britten besloten het hele kamp in brand te steken, omdat alle ziekten en luizen een ernstig gezondheidsrisico vormden.
Met Flora’s gezondheid was het slecht gesteld. Ze smeekte de Engelse generaal Sharp om hulp en hij nam haar mee naar het leger, waar ze door artsen behandeld werd. Het viel Sharp op hoe goed Flora Engels en Duits sprak, waarop hij voorstelde dat ze de tolk werd van de Engelse Miss Montgomery, de zus van de veldmaarschalk. Flora bekleedde deze positie enkele maanden en in deze periode kreeg ze genoeg eten, zorg en rust om op krachten te komen.

Na drie maanden keerde Flora met de trein terug naar Amsterdam. Van haar 80 familieleden overleefde niemand de oorlog. Ze waren allemaal gedeporteerd naar concentratiekampen en daar geëxecuteerd of onder andere vreselijke omstandigheden om het leven gekomen. Van de ongeveer 40 vrouwen uit het Auschwitzorkest overleefden slechts 12 de oorlog.
Flora voelde zich moederziel alleen, totdat ze in Amsterdam opnieuw herenigd werd met Appie Schrijver. Ze waren dolgelukkig om elkaar te zien en trouwden in 1946. Ze kregen twee dochters: Phyllis en Jettie. Jettie vernoemden ze naar Flora’s moeder Henriette, die vaak Jet genoemd werd.

In 1966 overleed Appie Schrijver. Als reactie hierop deed Flora een poging tot zelfmoord, maar ze overleefde dit. Flora heeft de oorlog nooit achter zich kunnen laten. De gruwelijkheden leefden voort in haar hoofd. ‘Ik ben niet bevrijd, het wordt iedere dag erger’, zegt Flora vele jaren na de oorlog. Er gaat geen dag voorbij waarop ze niet aan haar ouders, zusje en man denkt: (audiodeel 1, 15:36 – 16:08).
Flora overleed op 22 april 2013 in Amstelveen. Ze laat een belangrijke boodschap achter aan de huidige en toekomstige generaties:
‘Wees een goed mens, denk altijd aan je medemens.’

Vellah en Arianne Colcher: geen wrok maar liefde en optimisme

Vellah (1931) en Arianne (1932) Colcher zijn twee zussen van Joodse afkomst. De twee vrouwen zijn geboren in Nederlands-Indië, waar hun vader een rubberplantage beheerde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Nederlands-Indië bezet door de Japanners. Zij besloten om alle Nederlandse mensen onder te brengen in Jappenkampen, zo ook het gezin van de zusters. Na de bevrijding van Nederlands-Indië kwamen de zusters in Nederland terecht, waar ze elk hun eigen weg zouden gaan. Vellah richtte zich op haar carrière in ballet en dans. Verder trouwde ze en kreeg ze twee kinderen. Haar jongere zuster Arianne trouwde eveneens en kreeg kinderen. Na de oorlog is ze een periode in Israël geweest, waarna ze terugkwam in Nederland om maatschappelijk werk te doen en om Joodse mensen met oorlogstrauma’s bij te staan.

Niet gelovig (Arianne)

Vroege jeugd in Nederlands-Indië

De zusjes Vellah en Arianne zijn geboren in Nederlands-Indië, op de rubberplantage van hun vader. Deze plantage lag in Senna, een plaatsje op het eiland Sumatra. Vader had gestudeerd aan de universiteit van Leuven om landbouwkundig ingenieur te worden. Hij mocht er studeren op voorwaarde dat hij na het afronden van de studie een aantal jaren een plantage zou onderhouden in Nederlands-Indië. Later zou zijn vrouw – de moeder van de zusjes – ook verhuizen naar Indië. Het stel had al een meisje gekregen in Europa en tijdens hun verblijf op de plantage zouden Vellah en Arianne geboren worden. Aanvankelijk was het de bedoeling om maar een paar jaar te blijven, maar door de geboorte van de kinderen was er nog niet genoeg geld gespaard om elders een landbouwbedrijf op te zetten. De ouders van Vellah waren religieus opgevoed. Vader was zionistisch en had als doel om in de toekomst een stuk land te kopen in Palestina. Een zionist is iemand die streeft naar een onafhankelijke Joodse staat.

Senna op Sumatra, de plantage waar de zusters geboren werden
Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (Arianne)

Het leven van de zusjes op de plantage was onbezorgd. Het gezin had een groot huis, waar ze Indonesische mensen in dienst hadden voor de klusjes. Arianne zou deze verhouding van ongelijkheid tussen mensen later als gênant beschrijven. De zusjes waren vooral druk bezig met het spelen op de plantages en het ontdekken van de omringende natuur. Hier beleefden ze veel spannende avonturen. Ondanks dat de ouders van het gezin Joods opgevoed waren, werd besloten om de kinderen niet Joods op te voeden. Het gezin paste zich vrijwel volledig aan aan de christelijke, dominante cultuur in Indië. Vellah herinnert zich dat men op de plantage Pasen, Kerstmis en het sinterklaasfeest vierde. Toen de zusjes nog jong waren, had het gezin een huisdocent in dienst. Ze hoefden dus niet naar een school met andere kinderen.

Arianne: “Ik heb de tijd op de plantage beleefd als een droomwereld, met de vrijheid in de natuur en die geur van rubberbomen.”

Een aantal jaar later werden de kinderen naar een kostschool gestuurd. Tussen 1939 en 1941 verbleven de zusjes hier bijna het hele jaar. Alleen tijdens de vakanties mochten ze naar huis. De plantage in Senna lag behoorlijk afgelegen. Het was daarom niet mogelijk om de kinderen dagelijks van de plantage naar de kostschool in Brastagi te brengen. Vellah beschrijft haar verblijf op de kostschool als een nare periode in haar leven. Ze vond deze periode vervelender dan de periode in de jappenkampen die hierop zou volgen. De school werd geleid door een echtpaar dat strenge regels hanteerde. Er was een strak dagritme en de zusjes werden gescheiden vanwege het leeftijdsverschil. In deze periode hebben Vellah en Arianne zich verdrietig en eenzaam gevoeld. Van de vrije situatie op de plantage, waar alles mocht en waar ze konden gaan en staan waar ze wilden, naar een strenge kostschool. De leiding van de school vond dat Indische kinderen maar laks en ongehoorzaam waren. Met de strenge regels wilden ze de kinderen discipline bijbrengen. Gelukkig was Vellah een sterk kind dat voor zichzelf opkwam. Ze herinnert zich dat ze het niet schuwde om een ander kind een dreun te geven als zij of haar zussen geplaagd werden. Hierdoor werden ze na verloop van tijd met rust gelaten. Arianne herinnert zich dat haar ogen snel achteruitgingen waardoor ze niet goed kon reageren op gezichtsuitdrukkingen van de docenten. Dit maakte het extra vervelend en lastig voor haar.

De route vanuit Senna via Berastagi en Aek Pamingke naar Medan

Bezetting en gevangenneming

Nadat de Japanners Indië bezet hadden, besloten ze alle blanke mensen uit Europa op te sluiten in kampen. Toevallig werd de kostschool waar de zusjes op zaten aangewezen als kamp. Zodoende werd het complex in korte tijd omgebouwd van school naar jappenkamp. Naast alle kinderen werden ook alle blanke volwassenen uit de regio hierheen gebracht. Dit betekende dat het complex plotseling slaapplaats moest bieden aan vier keer zo veel mensen. Er werden meer matrassen ingepropt en de gevangenen hadden nauwelijks ruimte meer voor zichzelf.

Waar de kinderen vanaf het begin van de bezetting al in Brastagi waren, waren de ouders nog op de plantage. Door de inval van de Japanners in Indië was het chaos in het land. Vooral Indische jongeren grepen deze wanorde aan om huizen te plunderen en spullen te stelen. Op een dag trof de vader van Vellah een stel jongeren aan die een huis waren binnengedrongen. Hij ging het huis binnen om de jongeren weg te sturen. Echter, de jongeren zagen hem als vijand en ze vielen hem aan met steekwapens. De jongeren vluchtten en vader bleef zwaargewond achter. Vader zou na enkele dagen in het ziekenhuis overlijden. Voor moeder was het niet veilig meer om alleen op de plantage te blijven. Met hulp van haar kennissenkring is ze na wat omzwervingen terechtgekomen in Brastagi. Toen ze herenigd werd met de zusjes moest ook het slechte nieuws over vader verteld worden. Dit hakte er behoorlijk in bij de zusters.

Vellah: “Toen ik van moeder hoorde wat er met vader gebeurd was, was ik ontroostbaar. Een tijd lang kon ik niets anders dan huilen.”

Leven in kamp Brastagi

Na het nieuws over vader lukte het Vellah en Arianne om het leven weer op te pakken. Het gezin zou zo’n drie jaar in kamp Brastagi verblijven. Voor de zusjes was het leven in het kamp nog best oké. Er was voldoende eten, er was genoeg ruimte om kattenkwaad uit te halen en ze ontmoetten er een aantal leuke vriendinnetjes. Bovendien waren de Japanners niet kwaadaardig of gewelddadig. Men moest af en toe op appèl staan maar dit duurde nooit lang. Alleen wie probeerde te ontsnappen werd gestraft. Het jodendom speelde geen rol voor Vellah in Brastagi. Voor moeder was deze periode een stuk minder fijn. Na het overlijden van haar man bleef ze alleen over met haar kinderen. Haar toekomst was onzeker en ze moet zich heel eenzaam hebben gevoeld. De Japanners waren heel hiërarchisch ingesteld. Gevangenen moesten steeds buigen en laten zien dat ze ondergeschikt waren:

Voor volwassenen zoals moeder moet dit heel vernederend hebben gevoeld. Blanke mensen hadden veel aanzien in Indië en nu was dat plotseling verdwenen. Voor Vellah voelde het zich ondergeschikt opstellen meer als een soort spel. Zij heeft dit niet als traumatisch ervaren. Arianne beschouwt het als een geluk bij een ongeluk dat ze door haar slechte ogen weinig dingen meekreeg in het kamp.

Arianne: “Tegen ons als kinderen waren de Japanners totaal niet kwaadaardig, we werden soms over onze bolletjes geaaid.”

De tijd in Brastagi was voor Vellah als opgroeiend meisje ook een periode waarin ze zich op verschillende vlakken ontwikkelde. In het kamp deed Vellah verschillende klusjes zoals houthakken. Als je klusjes deed werd je beloond, je kreeg bijvoorbeeld extra eten. Omdat er verder geen tewerkstelling was in het kamp, moest je zelf zorgen voor dagbesteding. Vellah zou zich ook aansluiten bij een groepje kinderen dat dansles kreeg. Hier ontwikkelde Vellah haar passie voor dans, waar ze later haar werk van zou maken. Vellah herinnert zich dat ze veel geleerd heeft van de dansjuffrouw. Ze was heel aardig en ze zorgde ervoor dat de kinderen veel plezier hadden. Naast het dansen begon Vellah ook met schrijven. Ze begon aan een dagboek en ze had ook een poesiealbum, waar vriendinnetjes leuke gedichtjes in schreven. In Brastagi werd Vellah voor het eerst verliefd op een jongen. Het was een echte kinderliefde. Ze stuurden elkaar kaartjes en ze dacht toen dat ze nooit meer zo veel van iemand zou gaan houden. Arianne was nog een stukje jonger. In het kamp scharrelde ze vooral wat rond en ze deed spelletjes met anderen kinderen van haar leeftijd.

Halverwege 1945 was bondgenoot Duitsland al verslagen. De Japanners wisten dat het voor hen ook een kwestie van tijd was voordat ze de strijd moesten staken. De Japanners wilden niet dat de gevangenenkampen gezien zouden worden door de bevrijders. Zodoende besloten ze om alle kampen aan de kust – waaronder Brastagi – te ontruimen. De gevangenen werden vervoerd naar kampen in de bossen, meer landinwaarts. De zusjes en moeder werden in de loop van 1945 vervoerd naar Aek Paminke. De reis duurde enkele dagen:

Leven in kamp Aek Paminke

Honger in Aek Paminke (Arianne)

In Aek Paminke zou het gezin zo’n drie maanden verblijven. De omstandigheden waren een stuk minder goed dan in Brastagi. Het eten was schaars en van mindere kwaliteit en er was geen toilet. Men moest z’n behoefte doen in de bosjes. Ook hier waren de Japanners niet gewelddadig. In sommige jappenkampen werd daadwerkelijk fysiek geweld gebruikt, maar gelukkig voor Vellah niet in de kampen waar zij verbleef. Tussen de gevangenen bestond een zekere solidariteit. Er werd voor elkaar gekookt en eten werd gedeeld.

Toch waren er ook gevangenen die er een handje van hadden om van anderen te stelen. Vellah heeft zich nooit verlaagd tot dat niveau. Ze houdt het principe “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet gij dat ook een ander niet” erop na. Arianne weet nog dat ze onderweg waren naar Aek Paminke en dat ze langs kampen kwamen met uitgemergelde gevangenen. Dit maakt haar bang. Dit staat ons ook te wachten, dacht ze.

Arianne: “Als ik weer eens honger had in Aek Paminke dan visualiseerde ik dat ik heerlijk wit brood aan het eten was, om de honger te stillen.”

Kort na aankomst in Aek Paminke werd bekend dat de Japanners zich overgaven. Het nieuws werd op het plein in Aek Paminke verteld aan de gevangenen. De stemming was euforisch. “Eindelijk vrij!”, zeiden veel mensen. Om de bevrijding te vieren zongen de zusjes en de anderen het Wilhelmus. Arianne weet nog dat de Japanners van de een op de andere dag opeens voor hen gingen buigen in plaats van andersom. Ondanks de bevrijding konden ze het kamp nog niet verlaten. Buiten het kamp was het complete chaos. Blanke mensen waren daar niet veilig. Nu de Indiërs eindelijk de Japanners zagen vertrekken, wilden ze onafhankelijkheid. Een deel van de inheemse bevolking wilde de Nederlanders als kolonisten verdrijven. Wél konden de gevangenen naar de nabijgelegen markt om boodschappen te doen. Een aantal maanden later werd het gezin naar Medan gebracht, de hoofdstad van Sumatra.

Leven in Medan

Het gezin werd door soldaten naar Medan gebracht. Hier betrokken ze een villa met nog een aantal Nederlandse gezinnen. Ze leefden er in een beschermde wijk, waar de Indische bevolking niet bij kon komen. Rond deze tijd is het gezin ook door een chauffeur naar het graf van vader in Senna gebracht, als onderdeel van het verwerkingsproces. De route hier naartoe was avontuurlijk: de wegen waren erg slecht en de chauffeur leek er weinig zin in te hebben. Vellah herinnert zich dat Chinese mensen al die tijd goed gezorgd hadden voor vaders graf. De Chinezen eerden vader omdat hij hen als minderheidsgroepering altijd beschermd had. Dit vond Vellah heel bijzonder. In mei 1946 vertrokken de zusjes naar Nederland.

Ariannes wereld na de oorlog

Eenmaal aangekomen in Nederland was Arianne nog een puber. Ze moest naar een nieuwe school en ze had een leerachterstand door haar verblijf in de kampen. Bovendien moest ze wennen aan de Nederlandse gebruiken. Ze herinnert zich dat ze bloemetjes aan het plukken was en dat ze hier op aangesproken werd. In Indië was het immers heel normaal om bloemen te plukken in de natuur. Na een tijdje had ze de draad op school opgepakt en werd ze geïntroduceerd bij de joodse jeugdfederatie. Hier voelde ze zich helemaal thuis. Er heerste een sfeer van optimisme en iedereen wilde iets bijdragen aan de joodse gemeenschap. Arianne werd echter wel aangesproken op het feit dat ze de oorlog in Europa niet had meegemaakt en dat ze dus ‘niet mee kon praten’.

Arianne: “Ik kreeg regelmatig te horen dat ik niets had meegemaakt. Men had geen idee wat er in Indië gebeurd was. Daar werd ik weleens moe van, dat er alleen over de vervolging in Europa gepraat werd”:

Niets meegemaakt (Arianne)

In de jaren ’50 en ’60 is Arianne verschillende periodes in Israël geweest. In Jeruzalem en in Beer Sheva. Ze deed er een opleiding voor maatschappelijk werk. Daarnaast deed ze veel voor de joodse gemeenschap. Ze hielp migranten om een leven op te bouwen in Israël. Ook verbleef ze een tijd op een kibboets, dit was een landbouwnederzetting waar men alles met elkaar deelde. Arianne voelde zich heel prettig. Het gaf een gevoel van saamhorigheid en solidariteit. In Israël ontmoette ze ook haar latere echtgenoot Nico, waar ze twee dochters mee kreeg. In 1961 zou het stel terugkeren naar Nederland omdat Nico hier zijn studie af moest maken.

Eerste indruk van Israël (Arianne)

Arianne: “Het werk dat ik deed in Israël gaf me voldoening. Ik deed iets nuttigs.”

Eenmaal terug in Nederland voedde Arianne haar kinderen vrij op. Ze kregen wel iets mee over religie: ze deden bat mitswa en ze vertelde hen over het zionistische ideaal. Maar verder vond ze het belangrijk dat ze ook hun eigen pad gingen. Tijdens haar verblijf in Nederland hielp Arianne graag op de school van de kinderen en ze deed maatschappelijk werk. In Nederland heeft ze weinig last gehad van antisemitisme maar misschien komt dit ook omdat ze dit niet wilde zien:

Arianne: “In Nederland werden katholieken generaties lang opgevoed met Jodenhaat. Wist zij veel?!”

Na haar vrijwilligerswerk kreeg ze een echte baan. Ze hielp vervolgingsslachtoffers met het aanvragen van genoegdoening van de overheid. Veel van hen hadden fysieke en mentale problemen ontwikkeld door de angst en stress die ze hadden tijdens de oorlog. Omdat Arianne zich spiritueel had ontwikkeld en omdat ze zelf ook een naar oorlogsverleden had voelde ze goed aan wat deze mensen nodig hadden.

Tijdens deze gesprekken ondervond ze dat veel mensen wrok koesterden uit het verleden, wat onderdeel van hun identiteit was geworden. Arianne probeerde de boodschap uit te dragen dat je niet zelfstandig en vrij wordt zolang je jezelf als slachtoffer blijft zien. “Je moet ook dingen los kunnen laten. Houd je niet bezig met dingen die je tegenwerpen, je hebt het zelf in de hand om iets bij te dragen aan een mooiere wereld.” Arianne kijkt en leest geen negatieve dingen meer. Ze wil haar laatste jaren in vrede leven en zich focussen op fijne dingen. Arianne leeft in een joods verzorgingstehuis en ze gaat nog wekelijks naar de dienst.

Arianne vertrouwt erop dat ze haar moeder, vader, zussen en dierbaren na haar leven zal zien in het licht. “Daar staan al mijn dierbaren te wachten.” Met haar levenservaring wil ze de jeugd meegeven om zich te onthouden van hebzucht en om op zoek te gaan naar iets om de aarde schoon te maken en beter achter te laten. Ze sluit zich aan bij Vellah: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet men ook een ander niet.”

Vellah’s strijd

Ook Vellah had een flinke leerachterstand opgelopen. Ze ging naar een speciale school voor kinderen uit Indië. Hier werd de leerstof versneld gedoceerd zodat de kinderen toch nog op een acceptabele leeftijd school afmaakten. Het leven in Nederland verliep moeizaam. Ze had geen band met Nederland. Ze vond het maar koud en somber. In Nederland is Vellah een tijdje naar de joodse jeugdbeweging gegaan. Ook Vellah werd hier geconfronteerd met het feit dat ze geluk had gehad dat ze in Indië was geweest tijdens de oorlog. Na haar schooltijd wilde ze niet verder studeren. Ze besloot om zich te richten op dans en ballet, waar ze in Brastagi kennis mee had gemaakt. Ze ging naar een prestigieuze balletschool en ze zou meespelen in verschillende voorstellingen.

Vellah: “Ze zeiden dat het maar goed was dat ik in Indië was tijdens de oorlog.”

In 1952 ontmoette Vellah haar latere echtgenoot Otto. Otto was bezeten van muziek. Hij was eerst violist en later dirigent. Hij hoefde niet beroemd te worden, maar hij was heel gepassioneerd en gebrand om zijn werk te verbeteren. Ondertussen was Vellah gestopt met haar optredens. Ze besloot om les te gaan geven in (jazz)ballet. Als ballerina deed ze vooral klassiek ballet. Echter, toen ze begon met lesgeven bevrijdde ze zichzelf uit dat keurslijf. Ze vond dat ze door een vrijere stijl veel meer haar eigen ding kon doen. Vellah en Otto kregen twee kinderen: een zoon en een dochter. Met haar zoon heeft Vellah na zijn jeugd een wisselende relatie gehad. Soms spraken ze elkaar lange periodes helemaal niet. Haar dochter was een heel creatief kind, maar ze had ook psychische problemen. Ze had moeite met het leven en met studeren. Ze was vaak depressief. Op 24-jarige leeftijd is Vellah’s dochter in een psychose geraakt. Hierna heeft ze zichzelf opgehangen. Dit heeft een diepe wond achtergelaten bij Vellah. Ze wist wel dat haar dochter af en toe depressief was, maar ze kon niet echt doordringen tot haar en achterhalen wat er echt aan de hand was. Vellah heeft zichzelf lange tijd een schuldgevoel aangepraat. Pas toen ze lotgenoten ontmoette heeft ze het een plaatsje kunnen geven.

Vellah: “Was mijn opvoeding te vrij? Wat heb ik verkeerd gedaan?”

Jaren later ontmoette Vellah een vrouw die hetzelfde was overkomen: haar zoon was door zelfdoding om het leven gekomen. Nadat ze ervaringen hadden gedeeld, vonden ze dat ze samen iets moesten doen om andere ouders in deze situatie bij te staan. Achttien jaar lang organiseerden ze bijeenkomsten en lezingen over dit onderwerp. Vellah heeft het gevoel dat haar moeder heel ongelukkig is geweest in haar leven. Iedere keer als ze hiernaar vroeg klapte moeder dicht. Ze wilde er niet over praten. Vellah realiseerde zich dat ze dit voorbeeld niet wilde volgen. Door te praten met lotgenoten of andere mensen die begrip tonen, geef je jezelf de ruimte om je verdriet te verwerken. Als onderdeel van het verwerkingsproces heeft Vellah ook een boek geschreven over haar dochter. Dit is later gepubliceerd.

Terugkijkend op de oorlog komt Vellah tot een enigszins cynische constatering: zolang er mensen zijn blijft er ook oorlog. Vellah stelt dat ieder mens een stukje agressie in zich heeft. Vroeger moest de mens jagen en vechten om te overleven. Nu hoeft dat in theorie niet meer. Echter, wanneer mensen soortgenoten moeilijk verdragen, hebben lang niet alle mensen de innerlijke beheersing om deze agressie te onderdrukken. Bovendien zijn mensen nogal goed in het opvolgen van bevelen. Zodra je iemand kan overtuigen van een bepaald gedachtegoed, kan je hem in dat kader bijna alles laten doen. De combinatie van agressie en gehoorzaamheid vormen een gevaarlijke cocktail die kan uitmonden in oorlog.

Vellah: “Je kunt latere generaties niet de schuld geven van de oorlog maar ik zou een sadistische Jap nooit kunnen vergeven.”

Vellah’s leven kende veel tegenslagen. Na het overlijden van haar dochter zijn Vellah en Otto gescheiden. De nieuwe partner van Vellah zou later net als Esther omkomen door zelfdoding. Door de moeizame verhouding met haar zoon stond Vellah er hierna praktisch alleen voor. Toch is het haar gelukt om haar zinnen te verzetten. Volgens Vellah is het vooral zaak om niet ten onder te gaan in je eigen isolement. Ze gaat ook nu op hoge leeftijd nog naar balletvoorstellingen, musea en theatervoorstellingen. Voor Vellah ligt de betekenis van het leven bij de verbinding die je maakt met andere mensen. Door je open te stellen richting andere mensen verrijk je je eigen leven en dat van een ander. Soms moet je hiervoor uit je comfortzone stappen: “Voor veel mensen zijn vluchtelingen beangstigend, maar door je open te stellen voor mensen die het moeilijk hebben creëer je wederzijds begrip, vriendschap en verbondenheid.”

Levensmotto (Arianne)

Verschillende wegen

Na de roerige tijd in Nederlands-Indië groeiden de zusters op in Nederland en bewandelden ze verschillende paden. Het was zeker niet makkelijk om te leven met de oorlogservaringen en om een nieuw leven op te bouwen in een ‘vreemd land’. Bovendien hebben de zusters op weinig steun kunnen rekenen omdat bijna niemand aandacht besteedde aan de gruwelijkheden die zich buiten Europa hebben afgespeeld. Toch hebben beide zusters de draad opgepakt en hebben ze ondanks tegenslagen hun directe omgeving een hoop liefde en optimisme meegegeven. Arianne met al haar werk voor de joodse gemeenschap en de andere mensen die ze ondersteund heeft. Vellah met het brengen van vreugde en inspiratie met haar passie voor dans, muziek en kunst. En met het bijstaan van lotgenoten die naasten hebben verloren. Ieder mens heeft andere ervaringen. Soms slechte en soms fijne. Maar wat men gemeen heeft is dat ieder mens in staat is om op zijn of haar manier de wereld een stukje beter te maken.

Arianne heeft een mooie boodschap voor toekomstige generaties:

Boodschap (Arianne)

De interviews met de gezusters Colcher zijn opgenomen in 2018 door Herman Teerhöfer. Dit artikel is in 2020 geschreven door Jim Duijndam op basis van de interviews.

Hoe heeft God de holocaust kunnen gedogen?! (Mirjam Bolle-Levie)

Mirjam Bolle-Levie (1917) groeide op als Joods meisje in het vooroorlogse Amsterdam. Voorafgaand en tijdens de oorlog werkte ze voor het Comité voor Joodsche Vluchtelingen en later voor de Joodse Raad als secretaresse. In de loop van de oorlog werd ze opgepakt en verbleef ze in de kampen Westerbork en Bergen-Belsen. Ze overleefde de kampen en zou terechtkomen in Palestina (wat later Israël werd). Hier trouwde ze, kreeg ze kinderen en lukte het haar om een nieuw leven op te bouwen.

Jeugd in Amsterdam

Mirjam groeide op in een Joods gezin, ze was de oudste van twee dochters. Vooral haar vader was streng gelovig. Hij was zionist. Zionisten streven naar het stichten van een eigen land voor het Joodse volk in Palestina, waar zij de manier van leven kunnen bepalen. De rest van Mirjams familie vond dit maar raar. “We zijn toch gewoon Hollanders, wat hebben wij met Palestina te maken?” Mirjam ging dan ook naar een Joodse school terwijl haar omgeving vond dat ze juist naar een normale school moest gaan zodat ze ook in contact kwam met andere kinderen. Religie speelde een belangrijke rol in het gezin:

Religie vóór de oorlog

Ze vierden Joodse feestdagen, ze aten volgens de Joodse traditie en ze gingen regelmatig naar de synagoge. Verder kwam ze in contact met andere Joodse kinderen bij de Joodse jeugdvereniging. Hier leerde ze haar toekomstige man kennen. Mirjam heeft goede herinneringen aan haar jeugd. Het was een fijne tijd. Van antisemitisme heeft ze geen last gehad. Contact met niet-Joden was hooguit onwennig.

Antisemitisme vóór de oorlog

Werken als secretaresse

Toen Mirjam ouder werd kwam ze een advertentie tegen van het Comité voor Joodsche Vluchtelingen. Ze reageerde op de advertentie, waarna ze al snel kon beginnen als secretaresse. Als secretaresse hielp ze Joden die uit Duitsland waren gevlucht. Hier was Hitler aan de macht gekomen waardoor het leven voor Joodse mensen steeds onprettiger werd. Vooral na de Kristallnacht in 1938 – een nacht waarin Joodse bezittingen en pandjes massaal werden vernield – kwamen er veel Joden richting Nederland. Mirjam schreef brieven naar instanties om zodoende te proberen om papieren of verblijfsvergunningen voor deze mensen te regelen. Dit was niet makkelijk want de Nederlandse staat was niet happig op het toelaten van vluchtelingen.

Bezetting van Nederland

In mei 1940 werd Nederland binnengevallen door het Duitse leger. Mirjam weet nog goed dat ze wakker werd gemaakt door haar vader. “De hel is losgebroken, het is oorlog”, zei hij toen de Duitsers de macht overnamen.

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog

Het Comité voor Joodsche Vluchtelingen waar Mirjam voor werkte ging hierna op in de Joodse Raad. Deze raad was opgericht door de Duitse bezetter om de Joodse gemeenschap te besturen. Mirjam had het geld nodig om te leven en bij verzet werd ze ontslagen. Ze had dus weinig keuze. De oorspronkelijke bestuurders van het comité bleven in functie omdat ze het idee hadden dat ze toch nog positieve invloed konden hebben op het lot van de Joodse gemeenschap, ondanks dat ze onder Duits bewind kwamen te staan. Uiteindelijk moest de Joodse Raad meewerken aan de deportatie van Joden en het opstellen van lijsten hiervoor. Na de oorlog was er dan ook veel kritiek op de Raad. Mirjam heeft zelf niet meegewerkt aan het opstellen van de lijsten. Ze stelt dat de leden wel mee moesten werken en dat het geen verschil had gemaakt als de leden van het Comité dit niet gedaan hadden. Ze voelt zich dan ook niet schuldig. Door haar werk mocht haar familie voorlopig in Nederland blijven en kon ze geld verdienen. Dit was nodig om haar familie te beschermen.

Voel je je niet schuldig dat je hebt gewerkt voor de Joodsche Raad?”, werd na de oorlog aan Mirjam gevraagd.

Razzia’s

Tijdens de bezetting heeft Mirjam zich vaak heel angstig gevoeld. De bezetters hielden na verloop van tijd zogenoemde razzia’s waarbij Joden opgepakt werden voor deportatie. Mirjams familie wist te ontkomen aan de eerste razzia’s. Mirjam herinnert zich dat haar moeder voor een operatie in het ziekenhuis lag. Na acht uur ’s avonds mocht men niet meer naar buiten maar toch besloot Mirjam haar moeder te bezoeken. Ze bedekte haar Jodenster en ze deed zo voorzichtig mogelijk. Toch werd ze op de terugweg gesnapt door een Duitse soldaat. Gelukkig was dit een goede man. De soldaat besloot haar te helpen en bracht haar terug naar het Raadskantoor. Mirjam weet niet of ze het na had kunnen vertellen zonder hulp van de soldaat. Uiteindelijk werd Mirjam op straat opgepakt in juni 1943. Ze werd gelijk meegenomen en ze had geen mogelijkheid om spullen van huis mee te nemen. Ze werd op transport gezet naar Westerbork.

We zaten in continue angst. Als je ’s avonds Duitse stemmen en de laarzen van de soldaten op de straat hoorde. Gaan ze bij ons aanbellen?”

Leven in het kamp Westerbork

Mirjam werd in Westerbork weer herenigd met haar vader en zusje. Zij waren thuis opgepakt rond dezelfde periode. Moeder zou later arriveren omdat ze nog in het ziekenhuis lag. Westerbork was geen pretje. Mirjam herinnert zich dat er weinig privacy was en dat de toiletten heel vies waren. Gelukkig was ze in staat om zich aan te passen aan de omstandigheden. Ze was vastbesloten om deze periode te doorstaan. In Westerbork deed ze werk als secretaresse op de school van het kamp. Dit stelde niet veel voor maar het hield haar in ieder geval bezig. Op de school had ze de beschikking over een typemachine. Hiermee schreef ze brieven die ze later naar haar geliefde wilde sturen. Haar geliefde was inmiddels al in Palestina. Soms was er in Westerbork tijd voor ontspanning. Er werd gezongen en er waren optredens van muziekkoren en komedianten.

Zangles in kamp Westerbork
Toneelvoorstellingen in kamp Westerbork

Op sommige momenten bestond er mogelijkheid voor Joodse rituelen. Echter, tijdens haar periode in Westerbork was er continu angst dat ze op de deportatielijst stond. Wekelijks vertrok een trein met gevangenen richting de kampen in het oosten. In januari 1944 werden Mirjam en haar familie op transport gezet.

Achteraf is het een raar idee dat ik me vermaakte met de optredens terwijl de familie van sommige artiesten soms een aantal dagen eerder op transport was gezet.”

Bergen-Belsen

De trein had concentratiekamp Bergen-Belsen als bestemming. Het feit dat ze in personenwagons zaten en niet in veewagens gaf Mirjam een beetje hoop. Misschien zou het meevallen. De reis duurde lang en het was heel koud. Bij aankomst moesten zij en haar zusje nog een uur lopen naar het kamp. Onderweg zag ze soldaten en blaffende honden en veel uitgemergelde gevangenen. Het was vreselijk.

Eerste indruk van Bergen-Belsen

Eenmaal in het kamp moesten ze urenlang op appèl staan in de vrieskou. De omstandigheden waren nog veel slechter dan in Westerbork. In Bergen-Belsen kreeg ze ook administratieve klusjes. Daarnaast werd ze assistent van de leider van haar barak. Ze moest bijvoorbeeld zorgen dat iedereen ongeveer evenveel te eten kreeg.

Gevaarlijk moment in Bergen-Belsen

Mirjam had haar brieven uit Westerbork mee weten te smokkelen. In Bergen-Belsen ging ze door met schrijven. Het was een uitlaatklep om de ellende van haar af te schrijven. Ze herinnert zich dat ze op een dag gefouilleerd werd. Met gevaar voor eigen leven gooide ze haar schriftjes met brieven over een hek. Gelukkig werd ze niet gesnapt door de bewakers. Tijdens haar verblijf in Bergen-Belsen gloorde er een sprankje hoop. Mirjams gezin stond namelijk op de ‘Palestina-lijst’. Een lijst waarop joden stonden die geruild konden worden tegen nazi-aanhangers uit Palestina. De eerste ruilpoging mislukte. Mirjam en haar familie waren klaar voor vertrek maar om onbegrijpelijke reden ging het niet door. Ze werden teruggezet in het kamp maar in een veel slechtere barak dan waar ze daarvoor zaten. Gelukkig werden ze niet veel later wel op de trein gezet. Iedereen was erg opgelucht. Ze dansten van geluk. Ongeveer 222 joden werden met een personentrein naar Palestina gebracht. Dit staat nu bekend als Transport 222. De reis was prachtig. Mirjam was verguld van blijdschap en opluchting. Mirjam zou later stellen dat het lot haar gunstig gezind was. De Palestina-lijst was haar redding. Het had heel anders af kunnen lopen, zoals bij al die anderen die gesneuveld zijn in de kampen.

Waar was God in de kampen? Hoe kon Hij zoiets vreselijks gedogen? Dat iemand op het idee komt om mensen op te sluiten en ze te vergassen is voor mij onbegrijpelijk.”

Leven na de oorlog

Mirjam werd na de treinreis herenigd met haar toekomstige echtgenoot in Palestina. Ze had helemaal niets. Alleen de kleren die ze aan had.

Leven na de oorlog

Samen met haar man heeft ze bijgedragen aan het opbouwen van Palestina, wat later Israël zou worden. Na alle ellende die ze had ervaren was ze dolgelukkig dat ze bij haar geliefde was en dat ze kon gaan en staan waar ze wilde. Ze kregen samen drie kinderen. Na de oorlog heeft ze regelmatig haar verhaal verteld op bijeenkomsten in de hoop dat latere generaties er iets van zouden opsteken.

Schuldgevoel?

Haar brieven zouden uiteindelijk gebundeld worden tot een boek dat in 2003 gepubliceerd is. Anno 2020 gaat ze nog steeds wekelijks naar de synagoge, op 103-jarige leeftijd. Ze vindt het een raar idee om zo oud te zijn, als ze hier weleens bij stilstaat. Ze geeft nog regelmatig interviews maar in de privésfeer heeft ze haar oorlogservaringen achter zich gelaten. Ze wil zich richten op de positieve dingen, waar ze nog kracht en voldoening uithaalt.

Dit artikel is geschreven door Jim Duijndam (in 2020) op basis van het interview van Herman Teerhöfer met mevrouw Bolle-Levie. Het interview is afgenomen op 3 januari 2020 te Jeruzalem.

“Door je dierbaren te eren, gedenk je ook de andere slachtoffers” (Harriët Isselmann)

Harriët Isselmann-Flatow (Berlijn 1921 – Den Haag 2010, geïnterviewd op 88-jarige leeftijd) is een vrouw van joodse komaf die getuige is geweest van de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Eerst in Berlijn en later in Amsterdam maakte ze mee hoe het antisemitisme (Jodenhaat) een steeds grotere invloed kreeg op het dagelijks leven. Ook Harriët werd uiteindelijk opgepakt door de Duitsers. Ze kwam terecht in Kamp Vught en later werd ze vervoerd naar Auschwitz. Hoewel ze deze nare tijd overleefde, verloor ze alles wat haar dierbaar was. Al haar dierbaren kwamen om en haar ambities en dromen – die ze als jonge intelligente vrouw had – werden haar afgenomen. In het interview vertelt Harriët hoe ze de oorlog heeft ervaren, hoe ze na deze periode weer is opgekrabbeld en hoe ze uiteindelijk weer zin heeft kunnen geven aan haar leven.

Harriët Isselmann-Flatow

Berlijn

Harriët werd op 29 augustus 1921 geboren in Berlijn. Hier zou ze tot haar twaalfde wonen. Harriët is geboren als eerste kind in het huwelijk van haar vader en moeder. Vader was een heel goede man. Hij zorgde goed voor het gezin en hij was een fanatieke belijder van het joodse geloof. Als beroep ontwierp hij vrouwenkleding. Moeder kwam uit een goed milieu. Ze had een buitengewoon modern wereldbeeld voor een vrouw uit deze tijd. Ze had een grote interesse om te leren en ze las veel boeken. Als beroep was ze correspondent en ze sprak veel vreemde talen. Echter, na het huwelijk moest ze de rol van huisvrouw op zich nemen en kon ze zich niet meer richten op haar maatschappelijke carrière. Zeven jaar na de geboorte van Harriët kreeg ze een broertje.

Als kind ontwikkelde Harriët zich snel. Ze wilde graag leren en ze hield echt van school. Ze ging naar een openbare lagere school waar alle geloven vertegenwoordigd waren. Het duurde niet lang voordat haar snelle ontwikkeling werd opgemerkt. Ze mocht al snel een klas overslaan. De ouders van Harriët hadden een positieve bijdrage aan haar snelle ontwikkeling. Zo kreeg ze al snel boeken van haar moeder om te lezen. Harriët was erg nieuwsgierig en ze wilde over allerlei zaken lezen. Moeder vond het belangrijk dat haar dochter zich breed oriënteerde. Zodoende kreeg ze veel vrijheid en mocht ze bijna alle soorten boeken lezen. Als Harriët iets nieuws had gehoord of gelezen dan wilde ze gelijk van haar ouders weten wat het betekende. Als kind wist ze al snel dat ze wilde studeren op de universiteit zodra ze ouder was. Later zou Harriët naar het lyceum gaan. Deze openbare school had een joodse directeur en er zaten ook aardig wat joodse kinderen op. De meeste mensen op de school waren dan ook tegen het opkomende nazisme van Hitler.

Het joodse geloof speelde een belangrijke rol binnen het gezin. Ondanks dat het gezin was aangesloten bij verenigingen die openbaar en algemeen waren, ging het gezin vooral om met andere gezinnen die ook joods waren. Dat voelde toch vertrouwder en veiliger, zou Harriët later zeggen. In Berlijn ging het gezin regelmatig naar een liberale synagoge. Hier waren andere regels van toepassing dan in Nederland. De meeste Nederlandse joden waren namelijk orthodox. Harriët herinnerde zich dat ze na het opstaan altijd samen met haar vader een joods gedicht las. Dit was haar eerste ervaring met de Hebreeuwse taal, die ze later op school zou leren. Als het ging om het geloof dan was Harriëts vader streng voor zijn dochter. Zo was Harriëts vader verontwaardigd toen hij erachter kwam dat Harriët ook weleens katholieke les kreeg op school. Harriët wist destijds niet eens wie Jezus was, ze vond het gewoon leuke verhalen.

In haar jaren in Berlijn ervoer Harriët dat de sfeer steeds meer gespannen werd. Aan het begin van de jaren twintig was er nog een optimistische periode, met veel vrijheid en een opleving in de kunst en de cultuur. Dit zou snel veranderen. Harriët zou voor het eerst te maken krijgen met antisemitisme toen ze zes jaar was. Ze wilde heel graag spelen met een blond meisje van de lagere school. Echter, de moeder van het blonde meisje wilde niet dat haar dochter met joodse kinderen speelde. Later kreeg Harriët van haar moeder te horen dat de moeder van het meisje antisemiet was.

In de jaren twintig brak er crisis uit. Geld was niets meer waard en veel mensen raakten hun werk kwijt. Harriët herinnert zich dat haar moeder een stukje boter ging kopen met miljoenenbiljetten. Door de grote paniek en de onrust in het land lukte het de partij van Hitler (NSDAP) om steeds populairder te worden. Hij beloofde veel werk en welvaart. Toen de partij van Hitler in 1933 aan de macht kwam, werden er in snel tempo anti-Joodse maatregelen doorgevoerd. Zo ervoer Harriët dat op het lyceum waar ze les kreeg de vlag verwijderd werd en dat er een hakenkruisvlag voor terugkwam. Rond deze tijd werkte vader al in Amsterdam, waar hij nieuw werk had gevonden. Naar aanleiding van de opkomst van de nazi’s besloot hij om de rest van zijn gezin in 1933 ook naar Amsterdam te halen.

Amsterdam

Eenmaal in Amsterdam aangekomen ging het leven weer door. Hier zou het gezin in ieder geval veilig zijn. Harriët ging er naar de middelbare school en ze probeerde zo snel mogelijk te wennen aan de nieuwe omstandigheden. Toch was dit niet makkelijk. Ze moest immers eerst Nederlands leren en nieuwe contacten opbouwen. Het was een hoogstaande school waar voornamelijk kinderen zaten van rijke ouders. Hier voelde Harriët zich niet zo thuis. Contacten leggen verliep moeizaam. Verder was Amsterdam als stad heel anders dan Berlijn. Amsterdam was vergeleken met Berlijn heel provinciaal. Zaken zoals toneel – waar het gezin vaak naartoe ging in Berlijn – waren in Amsterdam maar beperkt aanwezig.

Bovendien had het liberale joodse gezin weinig aansluiting met de over het algemeen orthodoxe Nederlandse joden. Aan het begin van de jaren dertig was er wel een liberale joodse gemeente opgericht, maar dit was nog kleinschalig. Vooral geïmmigreerde Duitse joden zoals de familie Flatow zouden zich aansluiten bij deze gemeente. Van een echte synagoge was geen sprake. De liberale gemeente kreeg een klein zaaltje toebedeeld om de diensten in te organiseren. In de beginperiode in Amsterdam was er alleen orthodoxe joodse les. Dit was heel anders dan Harriët gewend was in Berlijn. Gelukkig zou ze later wel weer liberale joodse les krijgen. Harriët maakte hier wel de nodige vriendinnen. Het waren voornamelijk Duitse kinderen met eenzelfde voorgeschiedenis als Harriët. Hierdoor begrepen ze elkaar en voelde het vertrouwd. Met deze kinderen heeft ze later ook in joodse toneelstukken gespeeld.

Financieel gezien had het gezin het niet makkelijk in Nederland. De economie zat nog steeds in een dip. Bovendien zou de vader van Harriët op jonge leeftijd komen te overlijden aan kanker. Hierdoor had het gezin nauwelijks inkomsten meer. Moeder was erg van slag door het overlijden van haar man. Harriët moest op 14-jarige leeftijd haar moeder ondersteunen en zorgen dat het goed ging met haar broertje. Zo werd ze in rap tempo op jonge leeftijd volwassen.

In 1940 zou Nederland uiteindelijk bezet worden door Duitsland. Tijdens de bezetting werd de sfeer grimmiger. De anti-Joodse maatregelen stapelden zich op. Bepaalde openbare plaatsen werden verboden voor joden, openbaar vervoer werd verboden en alle joden moesten na verloop van tijd een Jodenster dragen. Zo ook Harriët. Harriët herinnerde zich een moment vóór de invoering van de Jodenster. Ze liep op straat toen een Duitse soldaat een praatje met haar wilde maken. De soldaat wilde een beetje flirten met haar en kijken of ze interesse had. Echter, toen Harriët de soldaat vertelde dat ze van joodse afkomst was, wist de soldaat niet hoe snel hij weg moest lopen. Harriët heeft deze periode vooral als heel eng en beklemmend ervaren. Ze had het gevoel dat ze ieder moment opgepakt kon worden.

Tijdens de bezetting heeft ze dan ook meerdere momenten van extreme angst gehad. Op een dag fietste Harriët ergens waar op dat moment een razzia gaande was. Dit is het moment waarop joodse mensen van huis werden gehaald om ze op transport te zetten. Harriët besloot om aan te bellen bij het eerste huis wat ze zag. Gelukkig waren het vriendelijke mensen die haar wilden helpen. Op een andere dag werd Harriët van haar bed gelicht door een politieman die haar moest meenemen voor transport. De politieagent vertelde dat hij een lijst had met tien mensen die hij mee moest nemen, maar de politieman weigerde dit. “Mijn moeder zou zich diep schamen als haar zoon jullie zou meenemen. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen”, zei de politieagent.

Harriët en het gezin zouden nog geruime tijd in Nederland verblijven tijdens de bezetting. De familie werkte in de textiel, wat door de Duitsers als een belangrijk beroep werd gezien. Zodoende kregen ze een stempel waardoor ze voorlopig nog niet opgepakt konden worden. Na verloop van tijd zou dit veranderen. In januari 1943 werd ook de familie Flatow opgepakt. Geld om onder te duiken was er niet. Bovendien was het broertje van Harriët nog jong, hij was nog niet volwassen genoeg om te beslissen of hij wilde vluchten of onderduiken. Daarom besloten Harriët en moeder om met z’n drieën bij elkaar te blijven. Het gezin werd opgepakt en in een grote vrachtwagen geladen. Ze werden naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Dit theater was in gebruik als een verzamelpunt, waar ze nog 24 uur moesten wachten. Gedurende deze periode kregen ze niets te eten of te drinken. Na het wachten werden ze op de trein gezet richting Kamp Vught.

Kamp Vught

Eenmaal aangekomen op het station, had het gezin nog een lange wandeltocht naar het kamp voor de boeg. Na aankomst bleek dat het kamp was ingedeeld in verschillende zones. De vrouwen werden van de mannen gescheiden. Harriët en haar moeder werden gescheiden van haar broertje. Ook werd er een onderscheid gemaakt tussen zones voor joodse mensen en bijvoorbeeld delen waar opgepakte verzetslieden zaten. Op sommige zondagen werden de hekken opengedaan en mochten mensen uit verschillende delen elkaar bezoeken. In het kamp werd Harriët te werk gesteld. Het spaarzame voedsel wat de gevangenen kregen, vond ze walgelijk.

Harriët vertelt dat ze zich goed kon aanpassen aan de omstandigheden. “We zitten in het werkkamp en hier moeten we de tijd uitzingen, erger dan dit wordt het niet”, dacht ze op dat moment. Binnen het kamp werd Harriëts wereld heel klein. De dagen waren allemaal hetzelfde en er was geen mogelijkheid om keuzes of afwegingen te maken: je moest gewoon doen wat je opgedragen werd. Ze werd als het ware geleefd. Er waren irritaties over kleine dingen. Bijvoorbeeld waarom ze steeds weer ontluist moesten worden en dat spullen werden afgepakt door de leiding van het kamp.

Gedurende dit betekenisloze bestaan was er continu een angstige sfeer. Op gezette tijden werden namelijk lijsten opgesteld met gevangenen die gedeporteerd moesten worden naar het oosten. Wanneer de mensen meegenomen werden en wie er precies op de lijsten stonden was altijd onzeker. Op een dag kwam moeder erachter dat Harriët op een lijst stond om op transport te worden gezet. Moeder is toen heel moedig geweest. Ze is naar de leiding gegaan om te zeggen dat Harriët van de lijst moest. Dit lukte. Harriët stelt dat ze het niet overleefd had als moeder niet zo moedig was geweest.

Moeder wilde dat Harriët zich aanmeldde voor het Philips Kommando. Dit was een gedeelte in het kamp waar gevangenen werkten voor Philips. Ze bouwden generators, radiobuizen en andere apparatuur voor de oorlogsindustrie. Wanneer je voor dit Kommando werkte, dan zou je voorlopig niet gedeporteerd kunnen worden. Toevallig was Philips op zoek naar jonge vrouwen. Voor Harriët was het de kans om voorlopig in veilige handen te zijn. Echter, in eerste instantie weigerde ze om mee te werken aan de oorlogsindustrie. Na veel praten wist moeder haar toch over te halen. “Als je moeder je iets opdroeg, dan luisterde je daar naar”, zou Harriët later zeggen.

Door toeval kwam Harriët bij de SOBU terecht. Dit was een afdeling van het Philips Kommando waar joden werkten die voor de oorlog al in dienst waren van Philips. Harriët werkte mee aan radiobuizen voor vliegtuigen. Naar verluid werden deze onderdelen gesaboteerd door Philips. De onderdelen werden zo gemaakt dat ze snel kapot gingen, waarmee ze de nazi’s tegenwerkten. Door de inmenging van Philips waren de omstandigheden voor de gevangenen een stuk beter. Het eten wat Harriët kreeg was goed, lekker zelfs. Verder werkte ze maximaal 8 uur per dag, kreeg ze pauzes en voedselbonnen waarmee ze eten kon kopen in de kantine. Philips zorgde goed voor de gevangenen. Als er sprake was van transporten dan werkte Philips altijd dusdanig tegen dat de gevangenen in Vught konden blijven.

Binnen de afdeling was de sfeer vrij gemoedelijk. Er ontstonden bepaalde groepjes van mensen die met elkaar praatten tijdens het werk en daarbuiten. Harriët trok vooral op met een aantal andere intelligente meisjes die ook geïnteresseerd waren in lezen, cultuur en dergelijke. Verder werden Harriët en de andere gevangenen ook op de hoogte gehouden door Philips over de vorderingen aan het front. Zo was men hoopvol gestemd toen via de radio duidelijk werd dat de Duitsers de slag om Stalingrad aan het verliezen waren van de Sovjet-Unie.

In november 1943 werd moeder gedeporteerd naar Auschwitz, wat ze niet zou overleven. Na deze tijd waren alleen het Philips Kommando en wat andere afdelingen overgebleven. De meeste gevangenen waren inmiddels gedeporteerd. Toen Harriët alleen overbleef, kreeg ze ook de tijd om na te denken over andere zaken zoals het geloof. Gedreven door al het onheil wat haar en de joodse gemeenschap overkwam is ze het bestaan van een God in twijfel gaan trekken. God leek haar en haar familie immers ook niet te kunnen behoeden voor het kwaad. Ze begon steeds meer te geloven dat het leven was als een keten die gedreven wordt door verschillende schakels. Deze schakels zouden vooral uit toevalligheden bestaan. Voor sommige personen – zoals moeder en haar broertje – zou het lot slecht uitpakken. Ditzelfde lot was haar wel gunstig gezind. Het gaf Harriët een heel fijn en vrij gevoel om niet langer gebonden te zijn aan een bepaald gedachtegoed zoals een religie.

In Kamp Vught kwam Harriët ook in aanraking met het communisme. Ze realiseerde zich dat mensen in benarde situaties vooral behoefte hebben aan steun. Sommige mensen vonden steun via het gezin, waar ze alles voor over hebben. Andere mensen vonden steun bij het geloof en God. Weer anderen geloofden in een politieke stroming zoals het communisme. Het idee dat je er niet alleen voor stond, maakte het voor veel mensen de moeite waard om niet op te geven en om te hopen op betere tijden.

In juni 1944 kon Philips niet langer tegenhouden dat de joodse gevangenen gedeporteerd werden. Harriët werd op de trein gezet naar Auschwitz.

Harriët Isselmann-Flatow met Herman Teerhöfer

Kamp Auschwitz

Na een lange treinreis kwam Harriët samen met de andere vrouwen van het Philips Kommando aan in Auschwitz. Bij aankomst moesten ze lang in de trein blijven wachten omdat er bij de leiding onenigheid was over de wijze waarop de mensen verdeeld moesten worden. Eenmaal in het kamp moesten Harriët en de andere vrouwen zich helemaal uitkleden om ontluist te worden. Hierna kregen ze slechte, armoedige kleren die ze aan konden trekken. Eigenlijk was het de vrouwen direct duidelijk wat er allemaal in Auschwitz gebeurde. Er hing een grote rode gloed boven het kamp en er hing een geur van verbrand mensenvlees. Het was afschuwelijk. Toen ze vroegen wat er met de andere mensen van Kamp Vught – waaronder Harriëts moeder – gebeurd was, was een zwijgen genoeg om te begrijpen dat de meeste van hen direct vermoord waren.

Harriët herinnert zich dat de slaapplaatsen veel te klein waren. Iedereen lag op elkaar en tegen elkaar aan. Op de tweede dag kreeg Harriët haar nummer getatoeëerd, met eronder een driehoekje, wat stond voor het Philips Kommando. Er was een totaal gebrek aan hygiëne in Auschwitz. Er liepen overal ratten en er braken verschillende ziektes uit. Gelegenheid om je te wassen of te toiletteren was er nauwelijks. Bovendien werd je hardhandig aangepakt door de soldaten als je wegging van de plaats die je toegewezen was. De gevangenen werden op de meest onmogelijke tijden, soms midden in de nacht, op appel geroepen waarna ze uren in de kou moesten blijven staan.

Na vier dagen mocht Harriët gelukkig alweer weg uit Auschwitz. Er was besloten dat een deel van het Philips Kommando van onder een bepaalde leeftijd moest gaan werken in een fabriek in Reichenbach. Harriët had het geluk dat ze net jong genoeg was, waardoor ze Auschwitz kon verlaten. Het kan bijna niet anders dan dat de leiding van Philips op een of andere manier voor elkaar had gekregen dat ze de vrouwen vier dagen na aankomst in Auschwitz lieten gaan.

“Op een gegeven ogenblik in die vier dagen, het moet de derde dag zijn geweest, kwam iemand van ons, van het Philips Kommando, die zei ‘je tante staat aan het hek’. Ik zei mijn tante, ik heb hier geen tante? Ik ging kijken en het was mijn nichtje. En omdat wij tien jaar schelen, dacht ze dat het mijn tante was. En die zei tegen mij dat haar haar net was kaalgeschoren. Het begon net weer aan te groeien. Ze heeft me na de oorlog verteld hoe zij het heeft overleefd. Maar ze stond daar en vroeg ‘heb je iets nodig’. Je stond daar praktisch spiernaakt, he? Met een jurk en een vieze broek. En toen dacht ik ineens: ‘een lapje stof’. Ik zei ‘als je aan een zakdoekje kunt komen’. Ik dacht, daar kun je je mee afdrogen en mee wassen, dan heb je iets. Ja dat was heel belangrijk. Heel belangrijk! En later, na de oorlog, zei ze tegen mij ‘Toen ik kwam kon ik ergens voor zorgen. En gelukkig, toen ik terugkwam om het doekje te brengen waren jullie al weg’. Dus ik heb het doekje nooit van haar ontvangen.”

Harriët Isselmann

Restant van de oorlog

Harriët en de andere vrouwen van het Philips Kommando werden op de trein gezet naar Reichenbach. Hier moesten de vrouwen met de technische scholing van Philips werken aan bepaalde onderdelen. De vrouwen werkten tussen de niet-joden. Deze mensen waren kennelijk niet geschikt geacht om te vechten aan het front. Harriët heeft meer dan een half jaar gewerkt in deze fabriek, totdat deze op 18 februari 1945 gebombardeerd werd. Vermoedelijk door de Sovjet-Unie.

Wat volgde was een periode tot aan het einde van de oorlog waarbij de vrouwen van kamp naar kamp werden gesleept en vervoerd. Harriët herinnerde zich dat ze na het bombardement vier dagen lang moesten lopen in de vrieskou richting een ander kampement. Onderweg aten ze sneeuw, eten was er niet. ’s Nachts vonden ze onderdak in nabije schuren. De situatie was zwaar en uitputtend, Harriët kon zich op dat moment niet voorstellen dat ze hier levend uit zou komen.

Na nog een aantal keer per trein vervoerd te zijn naar andere kampen werden de vrouwen naar Scandinavië gebracht. Via Denemarken naar Zweden. Rond deze tijd besefte Harriët voor het eerst dat het bijna voorbij was en dat er niets meer kon gebeuren. De verzwakte vrouwen kregen rond deze tijd weer voor het eerst goed eten. Harriët en de anderen schaamden zich voor hun vieze uiterlijk, wat in contrast stond met de luxe behandeling die ze kregen. De aankomst in de Zweedse stad Malmö maakte grote indruk:

“We hadden, de avond daarvoor uit een kartonnetje te eten gekregen, en nu kregen we ontbijt aan boord van de trein, en we werden bediend door stewards in rok. En we schaamden ons zo om onze oude plunje en hoe wij er uitzagen. Het was de eerste klas. En er was hotelzilver en er waren gedekte tafels, een zacht eitje en roomboter en echte koffie en toast en waarschijnlijk iets van jam of zo. Dat was ons ontbijt, werkelijk verrukkelijk. Maar we schaamden ons zo: wat moeten die mensen van ons denken zoals wij eruit zien. Nou en toen kwamen we aan in Malmö. Dat was om een uur of vijf, want je zag de zon steeds lager zinken als een rode bal, en vanaf daar gingen we naar badhuizen. Dat was de eerste keer in twee-en-een-half jaar dat ik dacht: je hoeft je niet te haasten. In de kampen was je altijd bang dat als je te langzaam was, dat er iets zou gebeuren. Je wilde ook liever nooit ergens achteraan staan want je wist niet wat daar gebeurde, achteraan. Dat was altijd eng, achteraan wist je niet wat er aan de hand was. Als je met die mensen achteraan stond, dan had je de hele stoet voor je. En nu hoefden we ons niet te haasten, nu deden ze ons niks meer. Toen voelden we ons voor het eerst vrij. En toen gingen wij als laatste naar badhuis, omdat we dachten ‘we hebben nu de tijd’.

Harriët Isselmann

Harriët was al in Zweden toen de Duitsers capituleerden. Dit nieuws werd natuurlijk met veel enthousiasme en gejuich ontvangen.

Nasleep van de oorlog

Na de oorlog zou Harriët tot het begin van 1947 in Zweden blijven. Eerst werd ze opgevangen en verzorgd zodat ze weer helemaal gezond zou worden. Haar lichaam was immers erg verzwakt door de gebeurtenissen van de periode hiervoor. Via contacten die ze had opgedaan kwam ze in contact met een man die aanhanger was van het communisme. Mede door haar kennismaking met het communisme in Vught was ze geïnteresseerd geraakt in het fenomeen. In eerste instantie spraken ze over het communisme, maar na verloop van tijd bleek dat de twee een heel goede chemie hadden. Zodoende zijn Harriët en de man met elkaar opgetrokken tot haar vertrek uit Zweden in 1947.

Terug in Nederland

Op een avond kwam Harriët met de trein aan in Nederland. Ze werd er opgehaald door een kennis waar ze ook voorlopig kon blijven slapen. In deze periode heeft Harriët zich heel eenzaam gevoeld. Ze was stateloos en bijna al haar dierbaren waren overleden. Harriët herinnert zich nog dat ze aankwam bij het gemeentehuis om zich aan te melden. De ambtenaar herkende haar nog en hij zei dat hij blij was dat ze terug was gekomen. Harriët dacht toen van binnen dat ze hier nog niet zo zeker van was. Wat had deze wereld haar nou nog te bieden na al het onheil wat ze had meegemaakt…? Als deel van het verwerkingsproces heeft ze een graf gekocht ter nagedachtenis van haar familie. Het nummer dat Harriët in Auschwitz had gekregen heeft ze nooit weg laten halen. Dit gold voor haar als een herdenking voor alle mensen die zijn omgekomen tijdens de oorlog. “Door je dierbare(n) te eren, eer je tegelijkertijd iedereen die is omgekomen tijdens de oorlog”, beredeneerde Harriët.

Na verloop van tijd wilde Harriët graag zelfstandig zijn en weg uit het huis waar zij tijdelijk verbleef. Ze heeft toen gesolliciteerd naar de functie van korsetmaker om haar eigen middelen van bestaan te krijgen. Ze was blij dat ze werk kreeg, maar veel liever had ze gestudeerd aan de universiteit. Echter, dit was niet mogelijk omdat Harriët niet de juiste vooropleiding heeft kunnen afronden door de oorlog. Niet veel later zou Harriët haar toekomstige man ontmoeten. Ze trouwden in 1949. De twee zouden geen kinderen krijgen maar het was zeker een gelukkig huwelijk. Ook nadat ze jaren later uit elkaar gingen, zouden ze altijd bevriend blijven. In 1950 zou ze ook haar Nederlands paspoort krijgen. Dit had grote symbolische waarde: na al die jaren dat de maatschappij haar had verloochend, werd ze eindelijk een volwaardig burger.

Haar man was een journalist bij een krant. Hij deelde de interesse van Harriët in literatuur, kunst en cultuur. Ze gingen vaak samen naar musea, concerten en andere culturele zaken. Harriët stelt dan ook dat ze niet heeft kunnen studeren aan de universiteit, maar dat ze door haar grote intellectuele interesse aardig is ingelopen op de ervaringen die ze op de universiteit gemist heeft. Ook heeft ze een tijd samen met haar man een pension gehad in Ibiza. Daar leerde ze een nieuwe, vrij losbandige cultuur kennen. Ze vond het een heel mooie ervaring, maar deze cultuur lag haar wat minder. Als oorspronkelijk Duitse heeft ze zich vereenzelvigd met de nuchtere en sobere cultuur die in Nederland heerst.

In haar latere leven heeft Harriët ook deel uitgemaakt van de nodige betekenisvolle zaken. Zo heeft ze een periode in Suriname gewoond. Hier ervoer ze dat het mogelijk was dat allerlei verschillende culturen en bevolkingsgroepen op een waardige en respectvolle manier met elkaar om konden gaan. Het koesteren van de waardigheid van mensen heeft Harriët ook gebracht tot het strijden voor een recht op zelfbeschikking. Als iemand het idee heeft dat het leven niet meer de moeite waard is, dan moet diegene zelf kunnen beslissen om uit te stappen vindt Harriët. Door al haar sombere ervaringen beseft ze goed dat het leven voor veel mensen een strijd is geweest met veel slechte momenten. Betreffende haar eigen leven trekt ze dan ook in twijfel of het het waard is geweest. Tevens is Harriët lang lid geweest van D66. Deze partij strijdt al sinds haar bestaan voor zaken als het recht op zelfbeschikking.

Vrede en democratie

Harriët is een felle tegenstander van alle vormen van geweld. Ze zou zichzelf dan ook niet in kunnen denken hoe het moet zijn om iemand te vermoorden. Ze verafschuwde de wijze waarop zij zelf en andere gevangenen in haar bijzijn als beesten zijn behandeld. Het stemt Harriët somber en verdrietig dat de mens kennelijk in staat is om zulke vreselijke dingen te doen. Op elk willekeurig moment in de tijd is er ergens in de wereld een oorlog gaande, wordt er een gewelddadige staatsgreep gedaan of komt er ergens een gewelddadige dictator aan de macht die lak heeft aan de mensenrechten.

Harriët is een groot voorstander van democratie als instrument om vrede te handhaven. Natuurlijk is democratie niet zaligmakend. Om met de woorden van Churchill (oud-minister-president Groot-Brittannië) te spreken: “Democratie is niet het beste systeem, maar het minst slechte.” In een democratie worden veel verkeerde beslissingen genomen, maar het zorgt er wel voor dat de meerderheid van vredige mensen een vuist kan maken tegen bestuurders die geweld verheerlijken of gebruiken.

Dit artikel is geschreven door Jim Duijndam op basis van het interview van Herman Teerhöfer met mevrouw Isselmann-Flatow.