“Laten we vooral in gesprek blijven met elkaar” (Hanneli Goslar)

Hannah Elizabeth ‘Hanneli’ Goslar (91 jaar) is een vrouw van joodse afkomst die de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en overleefd heeft. Tijdens de oorlog heeft ze gevangen gezeten in doorvoerkamp Westerbork en later is ze op transport gezet naar kamp Bergen-Belsen in Duitsland. Hanneli is vooral bekend vanwege haar nauwe vriendschap met Anne Frank, die later beroemd zou worden na de publicatie van haar dagboek. Na de oorlog verhuisde Hanneli naar Israël, waar ze zou gaan werken als kraamverzorgster.

Vroege jeugd

Hanneli is geboren op 12 november 1928. Als kind groeide ze op in een orthodox-joods gezin in Berlijn. Haar vader heeft een deel van de Eerste Wereldoorlog doorgebracht in Polen. Hier kwam hij in contact met orthodoxe joden, waarna hij zelf ook strenggelovig werd. Later heeft hij het orthodox-joodse geloof doorgegeven aan de moeder van Hanneli en zijn kinderen. De vader van Hanneli had een goede baan bij de Duitse regering, hij was raadgever van de Minister van Binnenlandse Zaken. Nadat Hitler de verkiezingen had gewonnen (1933), besloot de familie Goslar te vertrekken uit Duitsland, omdat ze zich hier niet meer gewenst voelden. Na een korte periode in Groot-Brittannië vertrok het gezin naar Amsterdam.

De vader van Hanneli zette in Nederland een bedrijfje op om Duitse joden te helpen emigreren naar Nederland. Dit was niet gemakkelijk omdat in deze tijd alle grenzen tussen Europese landen gesloten waren. Ondertussen ging Hanneli in Nederland naar de basisschool. Dit vond ze aan het begin spannend, vooral omdat ze nog geen Nederlands sprak. Gelukkig was er in diezelfde periode een ander Duits meisje dat ook voor het eerst in Nederland naar school ging: Anne Frank. De twee meisjes hadden elkaar kort voordat school begon al ontmoet. Ze woonden namelijk in dezelfde wijk. Hanneli heeft haar schooltijd in Nederland als prettig ervaren. Samen met Anne kletste ze vooral veel en lette ze niet altijd even goed op. De docenten en de directrice van de school maakten geen onderscheid tussen joodse en niet-joodse kinderen en ze hebben Hanneli altijd goed behandeld. Door de vriendschap tussen de twee meisjes waren de familie Goslar en de familie Frank bevriend geraakt. Ze kwamen vaak bij elkaar op bezoek en samen vierden ze joodse feestdagen.

Antisemitisme en begin Jodenvervolging

Ondanks dat Hanneli naar eigen zeggen niet veel last heeft gehad van haar joodse achtergrond in haar jeugd, is ze wel degelijk in aanraking gekomen met antisemitisme (jodenhaat). Toen ze nog in Berlijn woonde, moest ze verhuizen omdat haar vader als ambtenaar van de Duitse regering ontslagen werd. Hetzelfde gold voor alle andere Duitse joden die voor de regering werkten. Ook in Groot-Brittannië werd het joodse geloof van de familie Goslar niet volledig geaccepteerd. Vader kon er niet werken omdat hij weigerde ook op zaterdag te werken. Op zaterdag is het sabbat, de wekelijkse rustdag voor joodse mensen. Ook in Nederland kreeg de familie Goslar problemen. Na de Duitse bezetting kon de familie het eigen bedrijf niet voortzetten. Voortaan moesten ze via andere klusjes aan geld komen. Samen met een Italiaanse man maakten ze bijvoorbeeld ijs, wat ze vervolgens op straat verkochten. Zo kon de familie toch nog iets verdienen waarvan ze eten konden kopen. Na de Duitse bezetting werden Hanneli en andere joodse kinderen geweerd van normale scholen. Ze moesten voortaan naar aparte joodse scholen. Hanneli had het geluk dat ze net het jaar hiervoor de basisschool had afgemaakt.

In de zomer van 1942 worden de eerste joodse mensen opgeroepen voor werkkampen. Toen was niet bekend dat het eigenlijk om vernietigingskampen ging. De zus van Anne Frank stond op de eerste lijst. De familie Frank besloot hierna om onder te duiken in het kantoor van vader Frank. Als men vroeg waar de familie gebleven was, dan werd gezegd dat ze waren verhuisd naar familie in Zwitserland. Hanneli heeft de jaren hierna gedacht dat Anne veilig in Zwitserland verbleef. De familie Goslar kon niet onderduiken. Dit kwam omdat ze een jong kind hadden en omdat mevrouw Goslar opnieuw in verwachting was. Omdat meneer Goslar ambtenaar was geweest kon hij valse Paraguayaanse paspoorten regelen en hij regelde dat de familie Goslar op een bepaalde lijst kwam te staan. Op deze lijst stonden mensen die naar Palestina (het huidige Israël) zouden verhuizen. Mensen uit bepaalde landen (bijvoorbeeld Paraguay) die op deze lijst stonden hoefden in eerste instantie niet naar de kampen. Duitsland kon deze mensen namelijk ruilen tegen Duitse soldaten die in vijandige landen waren opgepakt en daar vast zaten. Zodoende kon de familie Goslar tot 1943 in Nederland blijven wonen.

Leven in het kamp

In 1943 besloten de Duitsers om ook de mensen van de beschermde lijst op te pakken. Hanneli kwam terecht in doorvoerkamp Westerbork. In Westerbork hadden de joodse mensen die er al langer zaten een weeshuis opgebouwd voor jonge kinderen. Hanneli heeft haar zeven maanden in kamp Westerbork doorgebracht in het weeshuis, samen met haar kleine zusje. In dit weeshuis zaten veel jonge kinderen en baby’s die in het land gevonden waren. Sommige kinderen werden verstopt bij boerderijen of op andere plaatsen. Van veel van deze kinderen was het niet duidelijk of zij nog levende ouders hadden of waar die ouders waren. Hanneli verbleef in het weeshuis om te helpen met het verzorgen van haar kleine zusje en de andere kinderen die hier verbleven. In Westerbork werd het zusje van Hanneli erg ziek. Een kennis van de familie Goslar was dokter en zat ook opgesloten in het kamp. Hij heeft uiteindelijk het kindje succesvol geopereerd, terwijl er geen professionele doktersspullen aanwezig waren in het kamp. Hanneli’s verblijf in Westerbork was zwaar, maar naar omstandigheden nog dragelijk. De leiding van het kamp was niet zo gewelddadig en onmenselijk als in andere kampen. Zo probeerde de commandant altijd te zorgen voor extra eten voor de kinderen in het weeshuis.

Na Hanneli’s periode in Westerbork werd ze doorgevoerd naar Bergen-Belsen. Hier hebben Hanneli en haar zusje het restant van de oorlog gezeten. Na het verlaten van de trein moesten de meisjes nog een lang stuk lopen. Dit was haast niet te doen, omdat Hanneli’s zusje nog steeds ziek was. Gelukkig werd dit opgemerkt en mochten de twee meisjes instappen in een auto die richting het kamp reed. In Bergen-Belsen werden geen mensen vergast, zoals dat in Auschwitz wel gebeurde. Echter, de omstandigheden waren slecht: er moest hard gewerkt worden en de gevangenen zaten met heel veel mensen in te kleine barakken. Eten was schaars. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden. Hierdoor kon Hanneli haar vader maar heel soms zien. Uiteindelijk zijn er in Bergen-Belsen vooral veel mensen gestorven aan ziektes zoals de tyfus. De mensen zaten te dicht op elkaar en de onhygiënische omstandigheden zorgden ervoor dat ziektes snel verspreid werden. Later in de oorlog, werden mensen uit Auschwitz getransporteerd naar Bergen-Belsen. Deze mensen brachten luizen en andere besmettelijke ziektes mee, waardoor in de laatste maanden van de oorlog nog veel mensen gestorven zijn.

Hanneli werd ook ziek. Ze kreeg geelzucht. Hiervoor moest ze naar het ziekenhuis. Gelukkig wilde een joodse familie uit Griekenland haar zusje verzorgen in het kamp in de tijd dat ze weg was. Een lid van de Griekse familie had een tijd in Berlijn gewoond en kende de vader van Hanneli goed. Als dank voor alles wat Hanneli ’s vader voor de joodse mensen had gedaan, wilde de Griekse familie zorgen voor Hanneli en haar zusje. In 1945 heeft Hanneli ook nog contact gehad met Anne Frank, die inmiddels van Auschwitz was getransporteerd naar Bergen-Belsen. De joden uit Auschwitz werden met een muur gescheiden van de andere gevangenen. De Duitsers waren bang dat de joden uit Auschwitz hun verhalen over de gruwelijke omstandigheden in het kamp zouden doorvertellen aan de joden aan de andere kant van het hek. Contact tussen Hanneli en Anne moest stiekem. Enkele keren heeft Hanneli eten over het hek gegooid naar Anne. Anne en haar zus Margot waren al te ziek en zouden uiteindelijk overlijden in Bergen-Belsen. Hanneli en haar zusje wisten de oorlog wel te overleven.

Leven na de oorlog

Hanneli vertelt na de oorlog dat de joodse overlevenden verschillend zijn omgegaan met het joodse geloof. Sommige joodse mensen zijn volledig van het geloof afgestapt. Als er daadwerkelijk een God bestaat, waarom heeft deze de mensen dan niet behoed voor deze vreselijke tijd? Een tijd waarin hele families vermoord zijn en waarbij enkele overlevende familieleden achterbleven met een schuldgevoel. Waarom hadden zij het overleefd en hun dierbaren niet? Bovendien werden veel naoorlogse kinderen niet meer joods opgevoed omdat ouders hun kinderen wilden beschermen voor het antisemitisme. Andere joodse mensen zien het feit dat ze nog leven juist als een daad van God. Zodoende zijn sommige mensen het geloof juist intensiever gaan belijden. Dit geldt bijvoorbeeld voor Otto Frank. De vader van Anne was de enige overlevende van de familie Frank. Hij stond er alleen voor. Dankzij het geloof bleef hij in contact met andere joodse mensen. De saamhorigheid tussen de joodse mensen en het gezamenlijk vieren van de joodse tradities hielp bij het rouwproces: kunnen optrekken met mensen met gelijke ervaringen, die als enige een voorstelling konden maken van het leed dat joodse mensen hebben ervaren.

Hanneli is na de oorlog naar Israël verhuisd. Hier heeft zij lange tijd als kraamverzorgster gewerkt. Ook heeft ze veel gepraat en haar ervaringen gedeeld met andere mensen. Dit heeft haar geholpen om het leed te verwerken. Terugkijkend op de oorlog kan ze nog steeds niet bevatten hoe het kan dat mensen op commando de meest vreselijke dingen kunnen doen. Ze vindt het onvoorstelbaar dat Duitse soldaten op commando mensen in koelen bloede hebben vermoord, terwijl ze thuis hun kinderen en huisdieren vertroetelden met liefde en aandacht. De mens is van nature niet gewelddadig, maar als ze gedwongen worden of overtuigd worden van een bepaalde waarheid, dan zijn ze tot vreselijke dingen in staat. Hanneli heeft dan ook als boodschap voor de jeugd dat men vooral moet blijven praten. Geweld en oorlog lossen niets op. Mensen moeten vooral in gesprek blijven gaan en proberen wederzijds begrip op te brengen. Ze vindt het belangrijk dat deze verhalen verteld blijven worden, zodat men zich blijft herinneren dat oorlog en genocide het ergste is wat de mensheid kan overkomen.

Dit artikel is geschreven door Jim Duijndam op basis van het interview van Herman Teerhöfer met Hanneli Goslar.

“Niemand vraagt je om iets te vinden” (Max Koker)

Max Koker (1927, geïnterviewd op 90-jarige leeftijd) is een man met een joodse achtergrond die is geboren en opgegroeid in Amsterdam. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is hij opgepakt en vervoerd naar kamp Vught en later naar kamp Auschwitz. In deze tijd verloor hij zijn vader en zijn broer David Koker. David heeft later naamsbekendheid gekregen door de publicatie van zijn dagboek, dat hij in kamp Vught geschreven heeft. Na de oorlog heeft Max zijn leven weer op weten te pakken. Hij studeerde economie, had een succesvolle maatschappelijke carrière, trouwde en kreeg (klein)kinderen.

Portretfoto Max Koker
Max Koker

Vroege jeugd

Max Koker werd geboren op 5 maart 1927, in Amsterdam-Zuid. Max groeide op in een klein gezin bij zijn ouders en zijn vijf jaar oudere broer David. De families van zijn ouders waren oorspronkelijk Duits, maar ze verbleven al geruime tijd in Nederland toen Max geboren werd. Vader werkte aan schilderijen, was leraar en hij ontwierp juwelen. Moeder was voor de oorlog vooral huisvrouw. In de tijd voor de oorlog had Max het gevoel dat hij minder werd gewaardeerd dan zijn broer. David was dan ook 5 jaar ouder en hij was al druk bezig met schrijven, het belijden van het joodse geloof en hij ging naar de universiteit. In die tijd nam Max het allemaal nog niet heel serieus. Voor school deed hij weinig moeite. Toen de broers later in de kampen meer met elkaar op moesten trekken, kreeg met name David steeds meer waardering voor zijn jongere broertje.

Het geloof speelde een belangrijke rol voor de familie Koker. Max en zijn familie gingen regelmatig naar de synagoge. Thuis kookte moeder gerechten uit een joods kookboek. Max ging in zijn jeugd naar een joodse school, waar hij onder andere Hebreeuws leerde. Verder kreeg hij extra les om Hebreeuws te lezen en schrijven omdat zijn ouders dat belangrijk vonden. Zaterdag ging Max niet naar school omdat dit de rustdag van het joodse geloof is. De school accepteerde dit. Max kan zich nog heugen dat hij een gebed moest lezen tijdens zijn bar mitswa. De bar mitswa vindt plaats bij joodse jongens die dertien jaar worden. Vanaf dat moment moet een joodse jongen verantwoording afleggen aan God. Max had moeite met het lezen van Hebreeuws en hij herinnerde zich dat zijn vader teleurgesteld was over de vorderingen die hij had gemaakt tijdens de lessen. Net als David zou Max zich ook aansluiten bij de zionistische jeugdbeweging. Zionisme is een denkwijze waarbij gestreefd wordt naar het stichten van een onafhankelijke joodse staat. Verder vertelt Max dat hij in de periode vóór de bezetting van Nederland weinig last heeft gehad van antisemitisme (Jodenhaat).

De bezetting

Max weet het moment nog goed dat Duitsland de aanval op Nederland opende. Op 14 mei 1940 werd Rotterdam gebombardeerd. Uiteindelijk zou Nederland op 15 mei 1940 capituleren en bezet worden door Duitsland. Vader moest rond die tijd richting de haven van Rotterdam om spullen op te halen voor zijn werk. Nadat hij had aanschouwd dat de hele stad weggevaagd was, keerde hij totaal verslagen huiswaarts. Hierna volgden allerlei anti-joodse maatregelen. Max moest naar een speciale school voor joodse kinderen. Later werden ook alle joodse scholen gesloten. Vanaf een zeker moment werden alle joodse mensen, waaronder Max, verplicht om een Jodenster te dragen. Zodoende werden joodse mensen onderscheiden en uitgesloten van de rest van het volk.

Max herinnert zich deze periode vooral als grauw en somber. Er is niets uit de periode van de bezetting waar Max met plezier op terugkijkt. De sfeer werd steeds grimmiger. Op een zeker moment kwamen er Duitse soldaten langs het huis van de familie Koker om bepaalde mensen op te pakken. Op deze momenten was moeder heel dapper. Ze verzon een list waarbij ze de kinderen op zolder verstopte en waarbij vader in bed ging liggen omdat hij zogenaamd een besmettelijke ziekte had opgelopen. In deze tijd voelde vader zich vooral heel somber en machteloos en was het moeder die haar gezin probeerde te beschermen. Niemand van het gezin besloot onder te duiken. Vooral David had in zijn vriendengroep en bij de universiteit genoeg vrienden die hem konden helpen onderduiken, maar hij besloot bij het gezin te blijven. Uiteindelijk werd het gezin opgepakt en naar de schouwburg gebracht, in februari 1943. Van hieruit zouden ze uiteindelijk verder vervoerd worden naar kamp Vught. Max en David hadden de mogelijkheid om te ontsnappen, maar ze wilden het gezin niet in de steek laten. Max herinnert zich vooral dat er veel herrie en rumoer was. Hij onderging het gelaten.

Kamp Vught

Vanuit de schouwburg in Amsterdam, die dienst deed als gevangenis voor joden, werd de familie Koker overgeplaatst naar concentratiekamp Vught. Toen ze aankwamen werden de mannen van de vrouwen gescheiden. Hierdoor trok Max vooral op met vader en David in het kamp. Daarnaast ontmoette hij een andere joodse jongen: Fedush Hertz. De twee zouden veel met elkaar optrekken. Het staat hem vooral nog bij dat hij zich heel erg verveelde in het kamp. Behalve werken, vooral vloeren aanvegen, was er weinig te doen. In zijn tijd in Vught vroeg Max zich vooral af waarom ze nou opgesloten werden. “Wat hebben die mensen tegen ons!?”

Vooral dankzij David was de periode in Vught nog redelijk vol te houden. Dankzij de contacten die David onderhield in het kamp kon hij regelen dat zij zich aan konden sluiten bij het Philips-Kommando. Het bedrijf Philips, dat in de buurt van het kamp gevestigd was, had in samenspraak met de kampleiding een werkplaats ingericht in het kamp waar een aantal gevangenen werkzaamheden konden verrichten voor het bedrijf. Binnen het Philips-Kommando werden de mensen wat beter behandeld door de bewakers en kregen ze ook wat beter te eten. Daarnaast had Max wat om te doen tegen de verveling. Max moest binnen het Kommando werken op de transformatorenafdeling. Binnen kamp Vught was het heel belangrijk dat je de juiste contacten onderhield. Zo kon je een bepaald netwerk opbouwen, waardoor je zaken als werk en eten kon krijgen.

Op sommige momenten was er plaats voor enige ontspanning in Kamp Vught. Zo werden er veel grappen gemaakt in de barakken waar de gevangenen zaten. Verder werd er ook muziek gemaakt en trad er af en toe een orkest op. Voor Max waren deze momenten heel belangrijk. Op deze momenten voelde het leven weer even ‘normaal’, zoals het vroeger was. “Deze momenten waren de chocolade in een afschuwelijke pudding”, zou Max later vertellen.

Ondertussen was David bezig aan zijn dagboek in kamp Vught, wat later gepubliceerd zou worden. Later zou blijken dat David in kamp Vught al had meegekregen wat voor gruwelijke dingen er in Auschwitz gebeurden. Verschillende brieven van de Duitsers waren namelijk onderschept. Destijds had David besloten om hierover niets te zeggen tegen de anderen. Uiteindelijk werd de familie Koker in juni 1944 gedeporteerd naar Auschwitz.

Kamp Auschwitz

Toen de trein in Auschwitz aankwam, zag Max een roodgloeiende lucht boven het kamp. Op dat moment dacht hij nog dat die rode gloed veroorzaakt werd door de staalfabriek in het kamp. Later zou blijken dat die gloed veroorzaakt werd door het cremeren van joden die al eerder in het kamp waren beland. Bij aankomst werden de mannen weer van de vrouwen gescheiden. Moeder werd doorgevoerd naar Birkenau en de drie mannen werden naar het hoofdkamp gebracht. Iedereen kreeg een uniek nummer op de arm getatoeëerd. De joodse mensen werden dus letterlijk als nummers behandeld.

Omdat de mensen uit het Philips-Kommando, waaronder Max, waren geregistreerd als belangrijke radiotechnici, werden ze niet gelijk naar de gaskamer gebracht. In de drie maanden dat Max in Auschwitz verbleef, heeft hij allerlei soorten werk gedaan. Aan het begin heeft hij muurtjes gemetseld. Later heeft Max gewerkt voor het Kanada-Kommando. In Auschwitz werd je vergast als je niet was aangesloten bij een Kommando. Je moest dus werken om in leven te blijven. Eigen initiatief en slimmigheid was hierbij heel belangrijk. Bij sommige Kommando’s werden de gevangenen geslagen en hardhandig aangepakt. Je moest dus zorgen dat je je aansloot bij een Kommando waar je redelijk behandeld werd en waar misschien nog iets te eten was. Het eten was schaars en van slechte kwaliteit. Mede hierdoor zou Max ziek worden in Auschwitz. Gelukkig was hij snel weer beter, want regelmatig werden alle zieken weggehaald en naar de gaskamer gebracht. Tot zijn opluchting mochten Max, vader en David Auschwitz na drie maanden verlaten. Ze werden op de trein gezet naar Langenbielau.

Langenbielau

Langenbielau was een arbeidskamp in Neder-Silezië. Hier moest Max werken in een fabriek waar onderdelen van radiozenders werden gemaakt. Ze kregen één keer per dag te eten. Voornamelijk bloedsoep. Bloed van andere mensen te eten krijgen was nogal gruwelijk, maar het was wel voedzaam volgens Max. Uiteindelijk hebben Max en David hier afscheid moeten nemen van vader. Hij was door de slechte omstandigheden te ziek geworden. Niet veel later werd David op de trein naar Dachau gezet. Het was onderweg zo koud dat David doodvroor. Later zouden Max en zijn vriend Fedush Hertz ook ziek worden. Ze werden naar een soort ziekenhuis gebracht. Terwijl ze hier lagen realiseerde Max dat ze het niet lang zouden overleven als ze in het ziekenhuis zouden blijven liggen. Eens in de zoveel tijd werden alle patiënten meegenomen en vermoord.

Gelukkig werkte een neef van Fedush in de administratie bij een nabijgelegen kampje. Deze neef heeft een smoes bedacht om de twee naar werkkamp Dürnau te brengen. Fedush was radiodeskundige en mocht daarom naar het werkkamp. Voor Max werd een beroep verzonnen zodat hij ook uit het ziekenhuis kon ontsnappen. In dat kamp zou Max opnieuw ziek worden. Hij werd in een paardenstal verstopt zodat de Duitsers hem niet zouden vinden. Op een dag waren de Duitsers opeens verdwenen en verschenen er Russen op paarden die de gevangenen, waaronder Max, kwamen bevrijden. Hierna werd Max herenigd met andere overlevenden van het Philips-Kommando. Uiteindelijk zouden ze via Praag terugreizen naar Nederland.

Max Koker tijdens het interview met Herman Teerhöfer

Leven na de oorlog

In Nederland werd Max opgevangen door een oom. Deze oom had tijdens de oorlog ondergedoken gezeten. Een tijdje hierna is Max ook nog naar een bijeenkomst van Philips geweest om de mensen te bedanken. Voor het eerst in jaren kon Max zich weer echt vrij voelen. Niemand die hem dwong om bepaalde dingen te doen. Niemand die hem meer pijn kon doen of in gevaar kon brengen. Samen met zijn vrouw heeft Max een gedenksteen neergezet bij een van de massagraven, om de dierbaren die hij verloren heeft te eren.

Terugkijkend op de oorlog voelde Max zich bevuild door alle narigheid die de mensen hem hebben aangedaan. De manier waarop zijn vrijheid werd afgenomen en de onmenselijke wijze waarop hij behandeld is, hebben hem diep geschokt. Gedurende zijn hele leven heeft hij nog last gehad van nare dromen waarin hij opgepakt werd of naar een kamp gebracht zou worden. Toch besefte Max dat hij verder moest en dat hij moest proberen om zijn leven weer op te pakken. Dit lukte. Zonder hulp of therapie. Max besloot om economie te gaan studeren, waarna hij een succesvolle carrière in het bankwezen zou maken. Ook zou hij trouwen, kinderen en kleinkinderen krijgen.

Na de oorlog heeft Max geen moeite gehad met zijn achtergrond. “Ik heb een joodse achtergrond en dat hoort bij mij.”, zou hij later zeggen. Echter, Max zou weinig steun vinden in het geloof na de oorlog. Max gelooft niet meer dat er zoiets bestaat als een god. Als God echt zou bestaan, dan had hij in de donkere tijden van de oorlog moeten ingrijpen en alle mensen moeten beschermen tegen het kwaad, vindt Max. Hij voegt hieraan toe dat mocht God toch bestaan, hij een heel slecht mens is. Max noemt zichzelf atheïst. Dit is een stroming waarbij het bestaan van een god afgewezen wordt. Wel is Max lid geworden van de joodse gemeente. Dit heeft hij gedaan om zijn vader te eren. Vader is immers de kans ontnomen om het geloof na de oorlog te belijden.

Naarmate Max ouder wordt, merkt hij dat zijn oorlogservaringen hem steeds meer bezighouden. Toch probeert hij zijn ervaringen niet te veel te delen met zijn (klein)kinderen, om hen geen onnodige sombere denkbeelden mee te geven. Kijkend naar de mensheid ziet Max dat mensen op een negatieve manier om gaan met conflicten. Hitler is immers ook door de Duitse bevolking gekozen. Mensen kozen voor een man die haat en geweld gebruikte om zijn doelen te bereiken. Ook in 2020 worden nog steeds politici verkozen die haat of geweld verkiezen boven verdraagzaamheid.

Wat Max heeft ervaren is vooral dat je problemen en irritaties niet te zwaar aan moet zetten. Natuurlijk zijn er verschillende groepen, verschillende religies en verschillende denkbeelden. Maar men moet beseffen dat verschillen tussen groepen of mensen nooit belangrijker kunnen zijn dan het verdragen en respecteren van elkaar. Max voegt hieraan toe: ”Sommige mensen zullen hierop antwoorden dat ze dan nooit meer iets mogen zeggen of mogen vinden van een ander. Op mijn beurt zeg ik dat er ook niemand is die je vraagt om van alles en iedereen iets te vinden.”

Dit artikel is geschreven door Jim Duijndam op basis van het interview van Herman Teerhöfer met Max Koker.

Holocaust-kenner over het leven in Auschwitz: ‘De mensen gingen dagelijks door een hel’

door Nick Groenen, 3 juli 2020

In Auschwitz werd niet iedereen bij aankomst gelijk richting de gaskamers gestuurd. Mensen tussen de 15 en 40 jaar werden geselecteerd om het kamp binnen te gaan. Grote groepen mensen hebben maandenlang in het kamp gevangen gezeten. Maar hoe zag het leven in Auschwitz er voor deze mensen eigenlijk uit? Om een antwoord te krijgen op deze vraag gingen wij in gesprek met Holocaust-kenner Herman Teerhöfer.

Herman Teerhöfer is naast zijn werkzaamheden als geestelijk verzorger al jaren bezig met een audiovisueel interviewproject voor zijn stichting Smolinski Foundation. Voor dit project heeft hij inmiddels al 84 overlevenden van het concentratiekamp Auschwitz uitgebreid geïnterviewd. Vanwege dit grote aantal interviews heeft Herman een gedetailleerd beeld van hoe het leven in Auschwitz eruitzag.

Dagelijkse routine

In het kamp zag elke dag er ongeveer hetzelfde uit. Maandag tot en met zaterdag waren lange werkdagen. Gevangenen waren op zondag “vrij”.

Een werkdag begon gemiddeld om half 5 in de ochtend (in de wintermaanden om half zes) zodat zij op tijd klaar konden staan voor het ochtendappèl, een telling van alle gevangenen. ‘De Duitsers hielden erg van structuur in het kamp dus het was voor hen belangrijk dat alles precies klopte.’

Het ochtendappèl duurde ongeveer een halfuur, maar vaak kon het ook wel urenlang duren. Als het appèl werd verstoord of als er mensen ontbraken kon de telling namelijk weer opnieuw beginnen. ‘Er werd ook geen rekening gehouden met de kou of juist hele hete temperaturen. Het was zowel geestelijk als lichamelijk een grote vernedering.’

Kommando’s

Na het appèl kregen de gevangenen het werk toegewezen dat ze die dag moesten doen. Dit werk vond zowel binnen als buiten het kamp plaats. Veel van de gevangenen waren in Kommando’s’ ingedeeld. Kommando’s waren werkgroepen met een specifiek doel. ‘De lengte van het verblijf in Auschwitz hing veel af van het Kommando waar je in ingedeeld was. In Kommando’s waar gevangenen zwaar lichamelijk werk moesten verrichten hielden zij het maar vaak 2 tot 3 maanden vol. In andere Kommando’s hielden mensen het langer vol dan in andere omdat de werkomstandigheden beter waren.’

De kwaliteit van leven was bijvoorbeeld beter in Kommando’s als het Kartoffel-Kommando en het Kanada-Kommando. ‘Het Kanada-Kommando was een apart gedeelte in Auschwitz waar onder andere alle koffers, brillen en kleding gesorteerd werden. Deze spullen waren van de grote groepen met nieuwe mensen die dagelijks in het kamp aankwamen. Iedereen die in Auschwitz aankwam moest al zijn persoonlijke bezitten afstaan.’

Als je in een beter Kommando zat betekende dat nog niet dat het leven in Auschwitz voor sommige mensen kon meevallen. Iedereen maakte zware werkdagen van ongeveer 12 uur lang en kreeg voortdurend te maken met mishandeling, sadisme en ellende. ‘De mensen gingen dagelijks door een hel.’

Steun

Als de werkdag was afgelopen keerden de gevangenen terug naar de barakken. Hier moesten zij weer geteld worden tijdens het avondappèl waarna zij vervolgens een kleine hoeveelheid voedsel kregen dat nooit genoeg was. Dit eten bestond uit een beetje brood met margarine of soep.

‘In de barakken vielen veel mensen eigenlijk gelijk in slaap omdat het werk dat zij deden zo zwaar was voor het lichaam. De mensen die wat later gingen slapen gebruikten deze tijd vooral om steun bij elkaar te zoeken. Mensen zochten bijvoorbeeld andere mensen in de barakken op die uit dezelfde regio kwamen. Zij haalden dan kracht uit het delen van herinneringen en het praten over het leven dat zij hadden voordat zij in Auschwitz terechtkwamen.’

Hel op aarde

Veel van de Auschwitz-overlevenden die Herman heeft gesproken hebben het kamp omschreven als de letterlijke hel op aarde. ‘De lucht in het kamp was vanwege de crematoria gitzwart, de mensen hadden last van allerlei ziektes en er was altijd een risico dat er iets met je kon gebeuren.’

Een overlevende heeft Herman een keer verteld dat ze op zondag buiten de barak zat en nog steeds voorzichtig moest zijn. ‘Als er een SS’er met een herdershond langs zou komen kon dat al je dood betekenen.

Er zijn veel Auschwitzoverlevenden die na de bevrijding uit het kamp niet meer konden geloven, zo verschrikkelijk waren de gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt.’

Nick Groenen heeft dit interview en de video gemaakt in het kader van zijn examenopdracht aan het Mediacollege in Amsterdam t.b.v. het Nationaal Auschwitz Comité.

‘De gevangene probeerde de Duitsers om de tuin te leiden’

door Max Middel, 27 mei 2020

Herman Teerhöfer is 45 jaar oud en is van beroep geestelijk verzorger en theoloog. Sinds 2010 heeft hij 84 Auschwitz overlevenden geïnterviewd met beeld en geluid. Deze interviews hebben allemaal een boodschap tegen discriminatie, antisemitisme en het feit dat Auschwitz nooit meer plaats mag vinden. In 2018 richtte hij de Smolinski Foundation op. Teerhöfer geeft veel gastlessen op middelbare scholen en hogescholen en hij geeft diverse lezingen. Hij vindt het belangrijk dat deze verhalen bewaard blijven voor de toekomstige generatie.

“Ik vind het belangrijk dat deze getuigenissen van de eerste generatie bewaard blijven voor toekomstige generaties. Ik wil jonge mensen laten nadenken over wat er is gebeurd.” Er werd vroeger veel gediscrimineerd en joden werden buitengesloten. “Het begon klein: dat je als joodse persoon niet meer naar de bioscoop mocht of ergens op een bankje in het park mocht gaan zitten. Daarna moest je naar een aparte school voor joodse leerlingen. Ik wil duidelijk maken wat dit kan betekenen en waar het naar toe kan leiden. In mijn interviews is het belangrijkste thema de krachtbronnen. De focus is: hoe hebben mensen zich geestelijk op de been gehouden ondanks een gevangenschap van soms wel 3 jaar?”, begint Teerhöfer.

“Auschwitz was een vernietigingskamp. Weinigen zijn daar de dans ontsprongen, het was hel op aarde. Er zijn daar heel veel mensen vermoord, voornamelijk joodse mensen. Het is niet te bevatten dat dit 75 jaar geleden heeft plaatsgevonden.” Het is bijzonder dat Herman zo veel overlevenden heeft kunnen spreken. “Elk mens en elk levensverhaal is uniek. Het verhaal raakt mij altijd, ook bij de 84e. Ik probeer de mensen en hun levensverhaal tot hun recht te laten komen en daarbij aan te sluiten.”

Tegenspreken in Auschwitz

Als Teerhöfer gevraagd wordt welk interview hij het meest bizar vond, komt hij met het volgende verhaal van vier vrouwen die hij heeft geïnterviewd. “Deze vrouwen zaten in het medisch experimentenblok in Auschwitz. De vrouwen werden opgeroepen met hun nummer, ze hadden toen geen naam meer. Ze werden meegenomen voor medische experimenten met als doel om ze onvruchtbaar te maken, ze wilden bijvoorbeeld de eileiders doden”, begint Teerhöfer. “Eén van die vrouwen vertelde mij dat als ze pijn had, zei dat het niet zo was. Als ze geen pijn had zei ze het omgekeerde. Ze wilde hiermee de zogenaamde artsen en verpleegkundigen om de tuin leiden. Deze mevrouw moest ook een keer de villa van dokter Carl Clauberg opruimen, er was namelijk een feest geweest. Er lagen allemaal etensrestjes, maar omdat ze te vies was van die man heeft ze het niet gegeten terwijl ze het wel kon gebruiken. Ook daarin heeft ze geprobeerd om er boven te staan. Ze dacht: ‘ze willen mij toch wel dood maken’, maar ze heeft met veel wilskracht geprobeerd om in leven te blijven en dat is gelukt.”

Ontkomen aan de gaskamers

“Toen de gevangenen in Auschwitz aankwamen werd er een grote groep naar de gaskamers gestuurd, maar bij dit transport zijn er meer dan 100 vrouwen geselecteerd voor blok 10, het medisch experimentenblok, waaronder ook deze vier vrouwen. Zij kregen daar iets meer te eten en ze hoefden geen zwaar werk te verrichten in verschillende zware weersomstandigheden, dat heeft tweederde van de groep vrouwen uit blok 10 gered.”

Gelukkig konden deze vrouwen het verhaal nog na vertellen aan Herman Teerhöfer, want in 1945 werden ook zij bevrijd. “Half januari 1945 moesten ze in de ‘dodenmars’ het kamp verlaten, omdat de Russen optrokken naar Auschwitz. Toen is een groot deel van Auschwitz naar Ravensbrück gedeporteerd. Daar zijn ze pas in mei 1945 bevrijd.”

Herman Teerhöfer heeft nog een interview uitgekozen, een gesprek waar hij echt op één lijn zat met de overlevende. “Ik heb Max Hamburger geïnterviewd, hij was arts. In februari 1944 kwam hij op 24-jarige leeftijd in Auschwitz, maar toen hij aankwam vonden de Duitsers hem te jong om arts te zijn. Daarom moest hij tijdelijk allerlei onderdelen van vliegtuigen uit een trein halen, dat was echt zwaar lichamelijk werk. Dit zware werk heeft hij ook maar enkele weken verricht. Normaal zou je dit maar gemiddeld 2 tot 3 maanden volhouden.”

“Daarna moest hij zich melden bij iemand om een examen af te leggen om te kijken of hij wel echt arts was. Als hij de verkeerde antwoorden had gegeven moest hij wederom het zware werk doen. Het was hem gelukkig gelukt. Hij moest later de grote barakken in Auschwitz ontluizen.” Hamburger kreeg meer te eten voor zijn werk en hield daarom wat over voor zijn collega’s. “Uit solidariteit heeft hij zijn soep ergens achtergehouden voor zijn collega’s die wel het zware werk moesten doen. Het heeft hem erg goed gedaan dat hij in die omstandigheden toch daaraan heeft gedacht. Hij kon het natuurlijk zelf heel goed gebruiken, maar hij wilde het goede doen door te delen met anderen.”

Kruipend naar het ziekenhuis

“Uiteindelijk werd Max Hamburger in april 1945 in Buchenwald bevrijd. Hij woog toen 35 kilo. Bij de bevrijding kwam er nog een soldaat aan en gaf hem nog een schop, maar hij heeft hem niet doodgeschoten wat hij in eerste instantie wilde doen. Hij moest kruipend naar het ziekenhuis, hij was zo zwak dat hij niet meer kon lopen”, aldus Teerhöfer over de bevrijding van Max Hamburger.

“Na de oorlog is hij psychiater geworden en heeft hij veel andere overlevenden begeleid om met hun trauma’s om te gaan. Toen ik hem vroeg of hij is toegekomen om zijn eigen trauma te verwerken zei hij: ‘nee, ik heb mij altijd in dienst gesteld van een ander.’”

Nooit meer Auschwitz

“De vraag Nooit meer Auschwitz stel ik altijd aan de mensen die ik interview. En ik merk toch altijd dat ze dan bang zijn voor de toekomst. Niet dat Auschwitz op dezelfde manier zou plaatsvinden, maar als je in de wereld kijkt naar landen zoals Rusland, Noord-Korea, Irak of Iran weet je niet welke kant het op kan gaan. Vrede is een breekbaar begrip.”

Max heeft dit interview gemaakt in het kader van zijn examenopdracht aan het Mediacollege in Amsterdam t.b.v. het Nationaal Auschwitz Comité.

Mijn drijfveer

Een drijfveer van mij is om de mensen en de levensverhalen van Auschwitz-overlevenden centraal te stellen. Mij fascineert enorm hoe overlevenden zich geestelijk op de been hebben weten te houden en hoe mensen zin hebben gegeven aan hun leven na de oorlog ondanks vele verlieservaringen.

Elk levensverhaal (bekend en onbekend) is uniek en is kostbaar als bewijs waartoe mensen in staat waren. Deze getuigenissen blijven een waarschuwing voor intolerantie. Het is een boodschap aan onze huidige generatie en aan toekomstige generaties dat anti-semitisme en discriminatie in de breedste zin van het woord niet tolereerbaar zijn.

Ook als in de toekomst de laatste overlevenden van Auschwitz overleden zijn, dan zal ik middels dit audiovisuele interviewmateriaal hun stem laten horen en hun een gezicht laten houden!

Herman Teerhöfer

Leny Boeken-Velleman

Leny Boeken-Velleman, heb ik meerdere malen thuis en op scholen mogen interviewen. Deze foto is genomen in juni 2011 op de Fontys Hogeschool in Tilburg. Zij heeft haar levensverhaal verteld aan studenten geschiedenis, die later les gaan geven aan middelbare scholieren over o.a. de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging. Leny Boeken-Velleman heeft vaak haar getuigenis afgelegd in het bijzonder aan scholieren en studenten om zo een bijdrage te leveren aan meer verdraagzaamheid in de samenleving.

DSC04349 kleiner leny Boeken op school kleiner

Krachtbronnen en Anne Frank

Lenie de Jong-van Naarden (1915-2015), vertelt in dit interviewfragment over haar geestkracht hoe mentaal om te gaan in Auschwitz met de ellende die ze om haar heen zag. In het tweede deel van dit fragment vertelt ze over Anne en Margot Frank en de zorgen van hun moeder Edith Frank in Auschwitz. Lenie de Jong-van Naarden is met de familie Frank in dezelfde veewagon naar Auschwitz gedeporteerd op 3 september 1944 vanuit Westerbork. In Westerbork en ook de eerste twee maanden in Auschwitz-Birkenau had zij contact met de familie Frank tot het moment kwam dat zij met een groep van 50 Nederlandse joodse vrouwen geselecteerd is voor het dwangarbeiderskamp Libau in Opper-Silezië. Daar is Lenie de Jong-van Naarden bevrijd begin mei 1945.